Vrijbrief om te zondigen?

‘Als zelfs grote Godsmannen als David en Hizkia zo de fout in gingen, dan is er ook voor mij nog hoop.’ Zo wordt er vaak gesproken over hun zonden. Dat hun misstappen voor ons tot bemoediging zouden zijn. Toch geloof ik dat wij die dieptepunten dan misbruiken. Soms bijna als een vrijbrief om te zondigen.

Zeker, het mag ons bemoedigen dat bij de Here vergeving is, maar die zonden zijn zeker niet beschreven om ons te bemoedigen. Dat zou ons tot de gedachte kunnen brengen dat er bij God toch altijd vergeving is en dat het dan niet meer uitmaakt hoe we leven.

Zeer uitgebreid wordt in 1 Korinthe 10 ingegaan op het waarom van de zonden van het volk Israël. Op geen enkele wijze staat daar dat de zonden van het volk beschreven zijn om ons te bemoedigen. Integendeel!
Met grote nadruk wordt gesteld dat hun zonden opgetekend zijn om ons aan te sporen geen lust te hebben tot het kwade, zoals zij lust gehad hebben tot het kwade (vers 6).

We worden opgeroepen geen afgoden te dienen, niet te hoereren, de Here niet te verzoeken, niet te morren, waaraan telkens wordt toegevoegd: ‘zoals sommigen van hen’. En nog een keer wordt dan in vers 11 gezegd dat dit hun is overkomen tot voorbeeld voor ons en dat het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen is gekomen.

Er is ook een andere lijn zichtbaar in de Bijbel, wanneer we kijken naar de levens van de Godsmannen. In velen van hen zie je een heilig vuur branden, een vuur dat meer teweegbrengt dan persoonlijke heiligheid. Nadat hemelse kolen hun lippen hadden aangeraakt, dreven de vlammen hen om Gods roeping voor hun leven na te jagen.
De profeet Jeremia zegt in Jeremia 20 dat, wanneer hij niet meer aan de Here zou denken en in Zijn Naam zou spreken, het tot een brandend vuur in zijn binnenste zou worden. En David zegt in Psalm 69 dat de ijver voor Gods huis hem heeft verteerd. Het is juist dat vers dat de Here Jezus citeert wanneer Hij de tafels van de geldwisselaars in de tempel omver werpt.

Dat vuur brandde in de harten van de gelovigen die door Caesar voor de leeuwen werden gegooid. Het brandde de afgelopen eeuwen eveneens in de levens van mensen als de (opwekkings)predikers Charles Wesley, George Muller en Charles Finney, om er een paar te noemen. Halfwarme christenen hebben nog nooit grote geestelijke invloed in deze wereld gehad.

Denk niet dat dit slechts is voorbehouden aan ‘belangrijke’ christenen. Paulus roept ons in Romeinen 12 op ‘in ijver onverdroten te zijn en vurig van geest.’ Dit geestelijke vuur blijft niet vanzelf branden. Door zonden en door andere oorzaken kan het in korte tijd worden uitgeblust. Het is nodig dat het telkens opnieuw ontvlamt, aangestoken door Gods Geest.

Laten we in ons eigen leven en dat van onze gemeente eens nagaan hoe de stand van zaken is. Hebben we compassie voor hen die Jezus nog niet kennen? Raakt ons de openlijke zonde in de samenleving? Belijden we de zonden in ons eigen leven en in onze gemeente en breken we ermee? Zijn we meer gericht op de dingen van God dan op andere interesses? Hebben we een intieme relatie met God?

Het kan zijn dat we op een gegeven moment wel tevreden zijn met wat God ons nu geeft. We genieten van Zijn zegen en van de gaven die Hij schenkt. En we mogen Hem daar dankbaar voor zijn, maar het is mijn gebed, mijn verlangen om Hem meer en beter te leren kennen. ‘Om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden…’ (Fil. 3:10) Ik hoop en bid dat het ook uw verlangen is.

Dirk van Genderen