God heeft een Naam

Misschien is God wel anders dan wij vermoeden. Welk beeld hebben wij van Hem? Is Hij Degene aan Wie we onze verlanglijstjes voorleggen? Bent u misschien bang voor God of zoekt u hem al uw hele leven, maar kunt u Hem niet vinden? Wie is Hij en hoe is Zijn Naam? Of mag u Hem, en dat hoop ik, Vader noemen?

Luister maar eens naar de vraag die Mozes stelde aan God, toen God hem riep om het volk uit Egypte te leiden: ‘Als ik hun zeg dat de God onzer vaderen mij heeft gezonden en ze vragen: ‘Hoe is Zijn Naam?’, wat moet ik hun dan antwoorden?’ Dan antwoordt God: ‘Ik ben heeft mij tot u gezonden’ (Exodus 3).

Het kan ook zijn dat voor u God is als Degene Die voortdurend let op wat u wel en wat u niet doet. U doet uw best Hem gunstig jegens u te stellen. En wanneer u een zonde begaat, bent u misschien bang dat God u ervoor zal straffen. Ten diepste vertrouwt u God niet en bent u bang voor Hem.

Misschien is God voor u Degene Die op zeer verre afstand is. Hij is er wel, Hij bestaat, daar twijfelt u meestal niet aan, maar Hij is zover uit uw zicht verdwenen, dat Hij de grote afwezige is in uw leven.

Het kan bij u ook heel anders zijn. U weet dat God er is, u bent naar Hem op zoek, maar u kunt Hem niet vinden. Trouw gaat u naar de kerk, u leest elke dag in uw Bijbel, u bidt elke dag, maar u kent Hem niet persoonlijk. U roept naar Hem, misschien al tientallen jaren, maar Hij antwoordt niet. U durft niet eenvoudig uw leven aan de Here over te geven, maar u wacht op iets speciaals, een bijzonder ingrijpen van God in uw leven.

Mozes
Denk eens aan de roeping van Mozes, in Exodus 3. Wanneer hij met de kudde in de woestijn bij de berg Horeb is, ziet hij opeens een braamstruik in brand staan. Dat zal Mozes vaker hebben gezien, maar zijn aandacht wordt getrokken omdat de struik niet verbrandt. Als hij dicht bij de brandende struik komt, hoort hij opeens een stem: ‘Mozes, Mozes. Kom niet dichterbij: doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats, waarop gij staat, is heilige grond’.
Vervolgens maakt God – want Hij is het Die tot Mozes spreekt – Zich bekend: ‘Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’

Mozes raakt zeer onder de indruk. Begrijpelijk. Stel u voor dat God tot u zou spreken! Mozes verbergt zijn gelaat, want hij vreest God te aanschouwen. En dan vertelt God dat Hij heeft gezien hoe moeilijk Zijn volk het heeft en dat hij Mozes zal zenden om Zijn volk te gaan verlossen.
Het is opmerkelijk dat Mozes vervolgens vraagt naar de Naam van God. God had Zich toch al aan hem bekend gemaakt als ‘de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’.
In Exodus 3:14 lezen we Gods antwoord op Mozes’ vraag: ‘Toen zeide God tot Mozes: Ik ben Die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden’.
De Statenvertaling zegt: ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal.’

‘Ik ben’
Wie een beetje thuis is in de Bijbel, zal bij die naam van God, bij ‘Ik ben’, direct denken aan de vele ‘Ik ben-teksten’ van de Here Jezus in het Nieuwe Testament. ‘Ik ben de Goede Herder’, ‘Ik ben het Licht der wereld’, ‘Ik ben het Brood des levens’, ‘Ik ben de ware Wijnstok’, ‘Ik ben de alfa en de omega, zegt de Here God, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.’

Terug naar de vraag uit het begin: welk beeld van God hebben wij? Is Hij voor ons ‘Ik ben’, de God Die een Naam heeft, Die heel nabij is of is Hij voor ons nog de God Die op grote afstand verblijft?
Kennen wij Hem, door Jezus Christus, Die naar deze aarde kwam om ons met Hem te verzoenen en Hem aan ons bekend te maken? ‘Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’, zegt Hij.
Dan is Hij ook voor ons de ‘Ik ben’ en mogen we hem Vader noemen. Dan zal het ons niet meer in eerste instantie gaan om wat Hij geeft – passend in het beeld van God als Degene aan Wie we onze verlanglijstjes voorleggen – of om angst voor Zijn mogelijke straffen – passend in het beeld van God, gezeten op een hoge troon en altijd klaar om ons te straffen om onze zonden.

Op zoek
De Bijbel maakt heel duidelijk dat een mens pas op zoek gaat naar God, nadat God eerst tot de mens komt. God neemt het initiatief. Adam ging weer op zoek naar God nadat God riep waar hij was. Mozes vroeg God naar Zijn Naam, nadat Hij eerst in de brandende braamstruik tot hem kwam en tot Hem sprak. Ook bij de roeping van de profeten lag het initiatief bij God. Paulus vroeg de Here naar Zijn Naam nadat God hem was verschenen op de weg naar Damascus.

Als we Hem ontmoeten, wanneer Hij Zichzelf aan ons openbaart, geeft dat antwoord op onze vraag naar God.
‘God, Wie bent U?’
‘Ik ben.’
Aan deze ‘Ik ben’ mogen we ons totaal toevertrouwen. De vraag naar God wordt dan een uitroepteken. ‘Ik ben!’ Omdat we Hem hebben leren kennen en mogen leren ons leven in Zijn handen te geven.

Het geheim? Jezus
Ik kan me niet voorstellen dat u nooit naar God vraagt. ‘God, waarom?’ Zeker wanneer uw leven door moeilijke perioden gaat. Wanneer u Gods weg met uw leven niet begrijpt. Wanneer u het niet meer op een rijtje kunt krijgen en nergens uitkomst meer ziet. Niet in uw eigen leven, maar wellicht ook niet in wat er gebeurt in het wereldgebeuren.

Misschien denkt u nog steeds dat u door uw eigen inspanningen God kunt leren kennen zoals Hij is. Door maar genoeg in de Bijbel te lezen, te bidden, alle bijeenkomsten van uw kerk bij te wonen en netjes te leven. En wanneer de vraag wordt gesteld of u, wanneer u nu zou sterven, in de hemel zou komen, durft u die vraag misschien niet bevestigend te beantwoorden.
Toch – met een heel groot uitroepteken – is een zo’n antwoord mogelijk. Niet door onze inspanningen, waardoor we misschien letterlijk doodop zijn geraakt. Niet door nog meer te bidden, nog meer stille tijd te houden…
Het lukt ons nooit onze eigen zaligheid te verdienen. Het goede nieuws is dat de Here Jezus ons eeuwig leven wil schenken, uit genade. Hij wil al onze zonden vergeven en onze relatie met God herstellen. ‘Een ieder die in Hem gelooft, heeft eeuwig leven.’

Zekerheid en rust
Een ontmoeting met Jezus Christus verandert uw leven definitief. In vol vertrouwen mogen we ons leven in Zijn handen geven. Dat geeft zekerheid en rust, maar vraagt ook van ons dat we open zullen staan voor wat Hij ons wil zeggen en leren. Hij kent ons, Hij ziet ons en Hij zal voor ons zorgen.
Hij wil u leren kijken met Zijn ogen, leren handelen met Zijn handen, leren denken vanuit Zijn gedachten, leren spreken met Zijn woorden. Door de Heilige Geest waarmee Hij ons wil vervullen. Zodat ons leven steeds meer gaat lijken op dat van de Here Jezus.
Zo’n leven vraagt volkomen overgave aan Hem. En tegelijk een diep verlangen om Hem beter te leren kennen, dichter bij Hem te komen, in Zijn nabijheid. Zoals geschreven staat over Henoch. Hij wandelde met God. Hij was zo intiem met God, dat Hij als het ware tegen Henoch zei: ‘Kom nu maar voorgoed bij Me.’

Hoop en zegen
Nadat Mozes zijn vraag naar God stelde en God Zich aan hem als de ‘Ik ben’ openbaarde, ging Mozes op pad met God en God met Mozes. Exodus 33:11 zegt: ‘En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend’.
Datzelfde gebeurt bij Paulus. Nadat Jezus Zich aan hem openbaarde als ‘Ik ben Jezus’, verandert zijn leven totaal en wordt hij door God ingeschakeld in het brengen van het Evangelie aan Joden en heidenen.

Prachtig is het om te zien en te ervaren hoe God onze vraag naar Hem wil beantwoorden. Hij wil Zich aan ons openbaren. Hij wil tot ons spreken. Door Zijn Woord en door Zijn Geest. En wanneer Hij tot ons spreekt, kan er van alles gaan gebeuren. Dat zie je bij Mozes. Mozes gaat naar de Farao en wordt de leider van het volk. Paulus gaat op pad om het Evangelie van het Koninkrijk te brengen.

Anderen horen Gods stem en geven hongerigen eten, dorstigen drinken, huisvesten vreemdelingen, kleden naakten, voorzien financieel en materieel in noden, bezoeken zieken of gaan op bezoek bij gevangenen.
En soms lijken het druppels op gloeiende platen. Maar deze druppeltjes brengen wel hoop, licht en zegen in uitzichtloze situaties. ‘Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan een van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan,’ zegt de Here Jezus in Mattheüs 25:40.

Dirk van Genderen