Een reuzenprobleem

U kent wellicht het verhaal van David en Goliat. Hoe Goliat David vervloekt en hem toeschreeuwt: ‘Ben ik een hond, dat je met een stok op mij afkomt? Kom maar eens hier, dan zal ik je vlees aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte des velds geven.’ David heeft alle reden om doodsbang te zijn voor deze geweldige reus. Maar hij treedt hem tegemoet in de naam van de Here God. Wat een les, ook voor ons!

De Filistijnen zijn opgetrokken naar Soko, dat tot Juda behoort (1 Samuel 17). Koning Saul en de mannen van Israel trekken zich samen tegenover hen. Het leger van de Filistijnen is aan de ene zijde van de berghelling, het leger van Israel aan de andere zijde. En dan treedt er een kampvechter van de Filistijnen naar voren. Het is Goliat, een man van es el en een span lang. Uitgebreid wordt zijn opzienbarende wapenrusting beschreven. Het is een man om werkelijk bang van te worden.

Goliat daagt het leger van Israel uit. ‘Kiest u een man en laat hij naar mij toe komen. Indien hij mij verslaat, zullen wij u tot knechten zijn. Maar indien ik hem overwin en versla, zult gij ons tot knechten zijn en ons dienen. Ik tart heden de slagorden van Israel – geef mij een man, dat wij samen strijden.’

Koning Saul en geheel Israel zijn zeer geschokt en bevreesd door deze woorden. Het is werkelijk een reuzenprobleem en niemand weet er een oplossing voor. Want wie is tegen deze geweldige strijder opgewassen?
Ook drie broers van David zijn met Saul opgetrokken tegen de Filistijnen. David gaat, in opdracht van zijn vader, kijken hoe het met hen gaat en neemt ook proviand voor hen mee. En ook David ziet en hoort Goliat, en vraagt: ‘Wie toch is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God tart?’

David wordt bij Saul gebracht. En wanneer Saul opmerkt dat David nog veel te jong is om de strijd met de Filistijn aan te gaan, antwoordt David: ‘De HERE, Die mij gered heeft uit de klauwen van leeuw en beer, Hij zal mij ook redden uit de hand van deze Filistijn.’
Saul wil hem nog zijn eigen wapenrusting aandoen, maar dat weigert David. Vervolgens neemt hij zijn staf op en zoekt vijf gladde stenen uit de beekbedding. Daarna gaat hij naar de Filistijn toe.

Wat zal die Filistijn denken? ‘Is dat de strijder die Israel uitgekozen heeft om de strijd met mij aan te gaan? De jongste van allen en nog wel zonder wapenuitrusting? Dat wordt een makkie. Wij zullen winnen en Israel zal ons voortaan dienstbaar zijn.’
En Saul? Die ziet David met angst en beven gaan. Het lot van Israel ligt immers in de handen van David. Verliest hij, dat heeft Israel een geweldig probleem.
En David? Hij treedt dat reuzenprobleem anders tegemoet dan alle anderen. En dat is een geweldige les voor ons. En een bemoediging. Hij kijkt met Gods ogen naar het probleem. Dan wordt God groter dan het probleem.

Wat zegt David immers? ‘Gij treedt mij tegemoet met zwaard en speer en werpspies, maar ik treed u tegemoet in de naam van de Here der heerscharen, de God van de slagorden van Israel, Die gij getart hebt. Deze dag zal de Here u in mijn macht overleveren en ik zal u verslaan en uw hoofd afhouwen; op deze dag zal ik de lijken van het leger der Filistijnen aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte des velds (dezelfde woorden die ook Goliat richting David sprak; dvg) geven, opdat de gehele wereld wete dat Israel een God heeft en deze gehele menigte wete, dat de HERE niet verlost door zwaard en speer, want de strijd is des Heren en Hij geeft u in onze macht.’

Dan begint Goliat de aanval. Hij wil deze klus even snel klaren. Maar hij beseft niet dat hij niet tegen David strijdt, maar tegen de God van David. En die strijd kan hij nooit winnen, hoe groot hij ook is en hoe geweldig hij ook is beschermd door zijn pantser. David snelt de Filistijn tegemoet, doet één van de vijf gladde stenen in zijn slinger en slingert die steen richting Goliat. En reken maar dat David daar goed in is. En ik geloof zeker dat God die steen heeft bestuurd, zodat die steen de Filistijn precies op een onbeschermde plek op zijn voorhoofd raakt. Eén steen is genoeg. De Filistijn stort voorover. David heeft niet eens een eigen zwaard. Met het zwaard van de Filistijn doodt hij hem vervolgens. En zo redt David Israel.

Wat een overwinning! En wat een les voor ons! Wat een bemoediging. Soms kunnen de problemen in ons leven reusachtig groot zijn. Dat je echt niet meer weet hoe het verder moet. Dat je geen uitkomst meer ziet. Als we de Here kennen, mogen wij de weg van David gaan. Zo vaak strijden wij in eigen kracht. Dan kunnen we totaal uitgeput raken en de strijd verliezen. Maar met God en in Zijn kracht mogen we meer dan overwinnaars zijn. Dan strijdt Hij voor ons. En Hij zal zeker zegevieren in de strijd.
Romeinen 8:31 zegt: ‘Als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? (…) In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, Die ons heeft liefgehad’ (vers 37).

Dirk van Genderen