Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen

De laatste tijd kom ik het nogal eens tegen dat iemand zijn eigen zonden of de zonden van een ander ‘verdedigt’ met de opmerking ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen’. Dat moet dan het einde zijn van elke tegenspraak. Toch worden deze woorden vaak totaal verkeerd gebruikt.

Om de betekenis van deze uitspraak te achterhalen, moeten we Johannes 8 opslaan. Daar wordt door de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw bij de Here Jezus gebracht, die op overspel is betrapt. Dan zeggen ze tegen Hem: ‘In de wet heeft Mozes bevolen zulken te stenigen; Gij dan, wat zegt Gij?’ (vers 5).

De Here Jezus zegt aanvankelijk niets, maar bukt Zich en schrijft met Zijn vinger op de grond. De mensen weten niet wat ze zien. ‘Kijk eens,’ zullen ze gedacht hebben, ‘wat doet Hij nu?’
De Farizeeën en Schriftgeleerden hebben vast en zeker de link gelegd met Jeremia 17:13. Zij zullen, als kenners van de Schriften, dat woord hebben gekend: ‘Hope Israëls, HERE, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden; wie afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van levend water, de HERE, verlieten’.

Ze zullen begrepen hebben dat het over hen ging. Wellicht schreef Hij hun namen in het zand. Zonder een woord te zeggen, confronteerde Hij hen met die ernstige boodschap uit Jeremia 17. Zij beschuldigden die overspelige vrouw, maar hun beschuldiging raakte henzelf. Als zij zich niet bekeren, zullen ze zelf het oordeel ondergaan. Wat een kracht heeft deze schrijvende Here Jezus.

Maar de Schriftgeleerden en de Farizeeën blijven aandringen op een antwoord. Dan gaat de Here Jezus rechtop staan en zegt tegen hen: ‘Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen naar haar’ (vers 7). En vervolgens schrijft Hij weer verder op de grond.
De reactie van de aanklagers is buitengewoon opvallend. In vers 9 lezen we: ‘Maar toen zij dit hoorden, gingen zij één voor één weg, te beginnen bij de oudsten.´

Ze hadden de Here Jezus in de val willen lokken. Zou Hij de wet van Mozes handhaven en de vrouw laten stenigen? Dat was verboden door de Romeinen. Of zou Hij de kant van de zondares kiezen en haar vrijuit laten gaan? Dan zou de Joodse Raad Hem veroordelen als een overtreder van de wet.
Nu heeft de Here Jezus hen geraakt in hun eigen zonden. Ze weten dat ze niet zonder zonden zijn… en ze zijn helaas niet bereid hun eigen zonden te belijden, want dan was er ook voor hen vergeving geweest.

Vervolgens vraagt Hij aan de vrouw waar de aanklagers zijn gebleven. ‘Heeft niemand u veroordeeld?’ (vers 10). Dan zegt Hij: ‘Ook Ik veroordeel u niet. Ga heen, zondig van nu af niet meer’.
Betekent dit dat de Here Jezus de zonde van deze vrouw goedkeurt? Absoluut niet. Dit is geen vrijspraak, alleen spreekt Hij niet nu het oordeel over haar uit. En denk ook eens aan wat Hij zegt in Mattheus 5:28: ‘Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd’. Laten we maar niet te snel denken dat wij wel vrijuit gaan.

Door Zijn opstelling heeft de Here Jezus de wet van Mozes gehandhaafd. Hij gaf aan dat er een steen gegooid mocht worden, maar wel door iemand die zelf zonder zonde zou zijn. Als de aanklagers weg zijn, kan de straf niet meer worden uitgevoerd, hoewel Hij Degene is Die zonder zonde is. De wet schreef immers voor dat de getuigen aanwezig moeten zijn bij het uitvoeren van de straf.

Laten we de woorden van de Here Jezus ‘Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst een steen’ niet misbruiken om onze eigen zonden of de zonden van de ander te bagatelliseren.
Ons past afwijzing van de zonde: ‘Ga heen en zondig niet meer’ (Johannes 8:11).
Ons past belijdenis van onze zonden: ‘Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en waarachtig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid’ (1 Johannes 1:9).
Ons past bewogenheid met de ander die in zonde leeft. ‘Broeders, zelfs indien iemand op een overtreding betrapt worde, helpt gij, die geestelijk zijt, hem terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf; gij mocht ook eens in verzoeking komen’ (Galaten 6:1).

Nog een laatste keer de woorden van de Here Jezus: ‘Waar zijn uw beschuldigers?’
Dan zegt Romeinen 8:33: ‘Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?’
De genade van de Here Jezus is zo alomvattend.
Zijn vergeving is zo totaal, dat we het nauwelijks kunnen bevatten.
Hem komt daarvoor toe alle lof, eer, aanbidding en dankzegging tot in eeuwigheid.

Dirk van Genderen