Geestelijke aanval op Israel en het Joodse volk

Nog voordat Iran ook maar één raket heeft afgeschoten op Israel, zijn er weer christenen die menen Israel en het Joodse volk onder vuur te moeten nemen. Geen militaire aanval, maar een geestelijke aanval, waarbij de pijlen ook worden gericht op mede-christenen, die op grond van Gods Woord houden van Israel, bidden voor het Joodse volk en geloven dat de Here nog een plan heeft met het volk en met het land.

Afgelopen week verscheen er een ‘Open brief aan Nederlandse christenen over de verhouding tussen Kerk of Gemeente en Israel’. Het is een schrijven van de christelijke gereformeerde dr. Steven Paas sr. uit Veenendaal en de Anglicaanse priester dr. Jos Strengholt uit Cairo, ondersteund door een aantal mede-ondertekenaars. De inhoud van deze open brief is schokkend. Kort samengevat: in het Oude Testament stond Israel centraal, sinds de komst van Christus gaat het niet meer om Israel, maar om de Kerk, de Gemeente. Israel speelt nu en in de toekomst geen enkele rol meer, aldus deze open brief.

Omdat het een uitgebreide open brief is, schrijf ik bewust een uitgebreid commentaar erop. Om de briefschrijvers recht te doen en uitgebreid Gods Woord te citeren, wat in de open brief trouwens niet gebeurt. Ik hoop dat u er bewust de tijd voor neemt om dit schrijven, dat aanmerkelijk uitgebreider is dan u gewend bent, te lezen.

Buitengewoon opmerkelijk is het dat in de gehele brief geen enkele Bijbeltekst wordt geciteerd. Op een zeer subtiele manier wordt geprobeerd christenen die zich onopgeefbaar verbonden voelen met Israel, de schuld in de schoenen te schuiven van een zogenaamd ‘nieuw verstaan van Paulus, een meer Joods-vriendelijke uitleg van de Paulinische geschriften’. Deze uitleg neigt er volgens de briefschrijvers toe dat ‘het reformatorische verstaan van de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen onder druk wordt gezet’.

De schrijvers van deze brief begrijpen het werkelijk niet. Ook ik voel me zeer verbonden met het Joodse volk en met Israel. Maar op geen enkele – ik herhaal – geen enkele wijze laat ik enige ruimte voor rechtvaardiging buiten het geloof om. Zowel voor Joodse mensen als voor heidenen geldt dat er alleen behoud is door geloof in de Here Jezus Christus.
Felle pijlen worden gericht op de zogenaamde christenzionisten, die verantwoordelijk zouden zijn voor de niet op de Bijbel gegronde liefde voor Israel.

De briefschrijvers willen aantonen dat ‘de Heilige Schrift geen grond geeft aan een Israeltheologie die het volk, het land en de religie van na-Bijbels Israel relateert aan het heil van mensen en derhalve abnormale proporties geeft.’
Ze zijn ervan overtuigd dat zij de Bijbel goed lezen en dat allen die op grond van de Bijbel (grote) verwachtingen hebben voor de toekomst van Israel de Bijbel verkeerd lezen.

Ze keren zich tegen, in hun ogen, twee onterechte vooronderstellingen: ‘Ten eerste, de bewering dat God het huidige Israel uitzonderlijk goed gezind is, en dat dit geschiedt op basis van etnische afkomst en niet op basis van de genade van Christus alleen, zoals aangegeven in het Evangelie. Ten tweede, de bewering dat de Bijbelse beloften van een land en van herstel zijn vervuld in een bepaalde geografische streek, ‘Heilig Land’ genoemd en door God exclusief bedoeld zijn alleen voor één etnische groep.’

Vervolgens werken ze hun open brief uit in de vorm van tien stellingen. Ik zal ze één voor één nalopen.

Stelling 1
Dat het Evangelie een aanbod is door God van eeuwig, zalig leven, evenzeer aan Joden als aan niet-Joden, als een gratis geschenk in Jezus Christus, is absoluut waar. Je kunt eeuwig leven niet verdienen, je kunt jezelf er ook niet waardig voor maken, wordt terecht gesteld. Toch schuilt er hier een addertje onder het gras wanneer wordt opgemerkt: ‘Het is ook niet gebaseerd op etnische afkomst of op natuurlijke geboorte’. Dit is in rechtstreekse tegenspraak met een tekst als Romeinen 11:26, waar we lezen dat er een moment komt dat heel Israel zalig zal worden. Uit genade, dat zeker, op grond van het offer dat de Here Jezus heeft gebracht. Dat blijkt ook wel uit Zacharia 13:1: ‘Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.’ Met die dag wordt de dag van de wederkomst van de Here Jezus bedoeld.

Stelling 2
In deze stelling lezen we dat alle mensen, zowel Joden als niet-Joden, zondaren zijn, die onder de vloek en het oordeel van God vallen en niet in eigen kracht vrede of eeuwig leven kunnen verwerven.
‘Buiten Christus om,’ aldus de schrijvers van de brief, ‘bestaat er geen enkele belofte van een aards land of van een erfenis in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde aan enig mens, Jood of niet-Jood. Iets anders onderwijzen of impliceren is niets anders dan het Evangelie zelf compromitteren.’
Dit klinkt heel vroom, maar het gaat erom wat de Schrift zegt. Dat moet het laatste woord zijn, waar we ons gehoorzaam voor hebben te buigen.

In tegenstelling tot wat de schrijvers menen, spreekt de Bijbel nadrukkelijk wel over een aards land voor het Joodse volk. Denk bijvoorbeeld aan Genesis 17:9, waar de HERE tegen Abraham zegt: ‘Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, heel het land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.’ Eeuwig stopt echt niet aan het begin van het Nieuwe Testament…

Stelling 3
Dit is een goede stelling, als opnieuw wordt gesteld dat zowel voor Jood als niet-Jood alleen Christus de weg naar de zaligheid is.

Stelling 4
Hier gaat het over Jezus, Die in Zijn dood aan het kruis het Lam van God was, dat de zonde van de wereld wegdroeg, zowel van de Jood als van de niet-Jood. Zijn dood heeft de offers in de Joodse tempel voor altijd vervuld en voor eeuwig beëindigd, wordt opgemerkt. Hier proef je dat stelling wordt genomen tegen hen die geloven in de komst van nog een nieuwe tempel.

Stelling 5
Hier lezen we: ‘God geeft in Zijn erfenis eeuwig leven aan allen die Christus ontvangen en op Hem alleen rusten, alleen door het geloof.’ Amen.

Stelling 6
Deze stelling rooft de zegen die God aan Abraham gaf en vult in plaats van Abraham Christus in. Dat is een eigenmachtig ingrijpen. Het is een veranderen van de Bijbel. Dan zeg je: ‘Wij weten het beter dan God.’

‘De beloften van de erfenis die God gaf aan Abraham zijn effectief gemaakt in Christus, Die het ware Zaad van Abraham is,’ begint stelling 6. ‘De beloften worden gedaan alleen aan degenen die geloven in Christus, de ware Erfgenaam van Abraham. (…) Omdat Jezus Christus de Middelaar is van het Abrahamitische Verbond, zullen allen die Hem zegenen door God worden gezegend en zullen allen die Hem en zijn volk vloeken vervloekt worden door God.’

In Genesis 12:3 zegt de HERE tegen Abraham: ‘Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden’. De opstellers van de open brief maken ervan: ‘Ik zal zegenen wie Christus zullen zegenen en wie Hem vervloekt, zal Ik vervloeken.’
U ziet het, zo laat je de Bijbel buikspreken. Wanneer je in plaats van Israel de gemeente invult, of Christus, dan ben je bezig de Bijbel te corrigeren.
Hoe gaan we om met Gods Woord? Laten we vasthouden aan wat we lezen in 2 Timotheus 3:16a: ‘Heel de Schrift is door God ingegeven…’

Stelling 7
In deze stelling wordt beweerd dat gelovigen uit alle naties worden ingevoegd en samengevoegd in de Derde Tempel, de Kerk die Jezus heeft beloofd te bouwen.
Dit is een merkwaardig hersenspinsel van de schrijvers. Ik zou graag willen weten waar staat geschreven dat de Kerk de Derde Tempel is. Ik kan het al wel vertellen, dat staat namelijk nergens in de Bijbel.

Wat wel in de Bijbel staat, is dat gelovigen een tempel van de Heilige Geest zijn. In 1 Korinthe 3:16 klinkt het: ‘Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont? Als iemand de tempel van God te gronde richt, zal God hem te gronde richten, want de tempel van God is heilig, en deze tempel bent u.’
En in 1 Korinthe 6:19 lezen we opnieuw: ‘Of weet u niet, dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest, Die in u is en Die u van God hebt ontvangen, en dat u niet van uzelf bent.’

Hoe duidelijk spreekt Ezechiel 40 tot 48 over een toekomstige tempel! Ook in Openbaring lezen we over de tempel. Over het nieuwe Jeruzalem wordt er gezegd: ‘Ik zag geen tempel in haar, want de Here, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam.’

Stelling 8
In stelling 8 wordt opgemerkt dat Petrus sprak over de wederkomst van de Here Jezus in verband met het laatste oordeel en de straf over zondaren. Men vindt ‘het leerzaam dat deze zelfde apostel van de besnijdenis niets zegt over het herstel van het Koninkrijk voor Israel in het land Palestina. In plaats daarvan richt hij de hoop van zijn lezers, die nadenken over de wederkomst van Jezus, op de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.’

Ook dit is weer zo’n suggestieve stelling. Omdat Petrus niets zegt over het herstel van het Koninkrijk voor Israel in het land Palestina zou het dus onzin zijn om dat te geloven.
Hoe kortzichtig is deze stelling. Allereerst valt op dat hier over Palestina wordt gesproken. Hiermee verraden de opstellers van de Open Brief zichzelf. Daar ligt hun sympathie.

Opnieuw komt in deze stellingname tot uiting dat ze een streep zetten tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Kennelijk vergeten ze dat voor de Here Jezus en ook voor de apostelen, dus ook voor Petrus, het Oude Testament hun Bijbel was. Op geen enkele manier speelde de vraag of wat daarin stond de Waarheid was, voor het heden en ook voor de toekomst.
Net zo goed kan ik daarom zeggen: Petrus stelt op geen enkele manier dat de boodschap van het Oude Testament heeft afgedaan.

Stelling 9
Schokkend is wat wordt gesteld in stelling 9: ‘Het recht van welke etnische of godsdienstige groep dan ook op een bepaald gebied in het Midden-Oosten kan niet worden ontleend aan de Schrift. De speciale landbeloften aan Israel in het Oude Testament werden in feite vervuld onder Jozua. Het Nieuwe Testament spreekt duidelijk en profetisch over de vernietiging van de tweede tempel in AD 70. Geen enkele schrijver in het Nieuwe Testament voorziet een opnieuw bijeenkomen van etnisch Israel in het land, zoals de profeten van het Oude Testament hadden voorzien na de vernietiging van de eerste tempel in 586 voor Christus.

Vele tientallen keren wordt in de profetieën in het Oude Testament voorzegd dat het Joodse volk, dat verspreid is over de hele wereld, in het laatste van de dagen terug zal keren naar het land Israel. De vervulling van deze profetieën zien we voor onze ogen werkelijkheid worden. Deze briefschrijvers durven het aan te beweren dat geen enkele etnische of godsdienstige groep recht heeft op een bepaald gebied in het Midden-Oosten, dus ook het Joodse volk niet.

Vanuit het Bijbelboek Exodus kennen we de exodus van het Joodse volk vanuit Egypte naar het land Kanaän. De exodus die sinds het begin van de vorige eeuw gaande is, overtreft in omvang ruimschoots de exodus uit het gelijknamige Bijbelboek. Daar mogen we Gods hand in zien. Hij brengt Zijn volk thuis, in het land wat Hij hun heeft toegezegd.

In Jeremia 16:14-16 lezen we: ‘Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft, maar: Zo waar de HERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.
Zie, Ik ga boden tot vele vissers zenden, spreekt de HERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik boden tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen.’

Deze stelling gaat nog verder: ‘Bovendien worden de landbeloften van het Oude Testament al in het Oude Testament zelf en in het Nieuwe Testament voortdurend en doelbewust uitgebreid om de universele heerschappij van de Messias te tonen. Hij regeert vanuit de hemel op de troon van David en Hij nodigt alle volken door het Evangelie van genade om deel te nemen aan Zijn universele en eeuwige heerschappij.’

In Lucas 1:31-33 lezen we de woorden die de engel tegen Maria sprak: ‘ En zie, u zult zwanger worden en een Zoon baren en u zult Hem de naam Jezus geven.
Hij zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste genoemd worden, en God, de Here, zal Hem de troon van Zijn vader David geven,
en Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn tot in eeuwigheid en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen.’

De Here Jezus is nu in de hemel, op de troon, aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader. Hij regeert, jazeker, maar het moment zal komen dat Hij plaats zal nemen op de troon van Zijn Vader David, om over het huis van Jakob Koning te zijn tot in eeuwigheid, nog aanstaande is.
In Zacharia 14:9 klinkt het: ‘De HERE zal Koning worden over heel de aarde. Op die dag zal de HERE de Enige zijn en Zijn Naam de enige.’

In dit vers wordt gesproken over ‘Op die dag’. In dit laatste hoofdstuk van Zacharia gaat het over de wederkomst van de Here Jezus. Op die dag, op de dag van Zijn wederkomst, zal Hij de troon van Zijn vader David bestijgen, om Koning te zijn.

Stelling 10
In stelling 10 werpen de ontwerpers van de open brief hun masker af: ‘Het is beklagenswaardig dat vandaag ondeugdelijke christelijke theologie aan seculier Israel een goddelijk mandaat geeft om anti-Israëlisch Palestina blijvend in bezit te houden, waardoor Palestijnse mensen worden gemarginaliseerd en beschouwd als eigenlijk Kanaänieten.’

Anders dan de briefschrijvers stellen, is het de Here God Zelf Die het land heeft toegezegd aan Zijn volk Israel. Dan past het ons niet om ons zo op te stellen.
In Genesis 15:18 geeft d Here de grenzen van het land aan: ‘Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.’ Binnen deze grenzen vallen zeker ook Judea, Samaria, Oost-Jeruzalem en Gaza.
De briefschrijvers geloven dat Israel sinds de komst van de Here Jezus niet langer Gods uitverkoren volk is. De Kerk, de Gemeente zou de plaats van Israel hebben ingenomen.

Stelling 10 besluit met: ‘Dit Israel-dogma gaat in tegen de leer van het Nieuwe Testament en doet de opdracht van het Evangelie geweld aan. Bovendien, christenen die gewelddadige confiscatie en bezetting van Palestijns land aanmoedigen met hun theologie, lopen het risico mede schuldig te zijn aan bloedvergieten.’

Dit is werkelijk een bizar vervolg van deze stelling. Alsof degenen die van Israel houden, Israel steunen en dat doen op grond van Gods Woord, verantwoordelijk zouden zijn voor het geweld. En dan kennelijk alleen voor het geweld van Israel richting de Palestijnen, wat door deze houding van christenen zou worden aangemoedigd.
Er wordt in deze open brief een karikatuur gemaakt van een grote groep gelovigen. Dit wordt versterkt door het woord Israel-dogma te gebruiken. Liefde voor Israel en voor het Joodse volk en de verwachting van een grote toekomst voor land en volk en ook voor de stad Jeruzalem zou ingaan tegen het Nieuwe Testament en zou de opdracht van het Evangelie geweld aandoen.

Gekker moet het niet worden. De schrijvers moeten Romeinen 9 tot 11 maar eens gaan lezen. Wat een bewogenheid proef je daar van Paulus met zijn volksgenoten die de Here Jezus nog niet kennen en wat een grote toekomst wordt er geschilderd voor het Joodse volk, zeker in de verwachting van het moment dat ze – door genade – zalig zullen worden, de Here Jezus zullen zien, herkennen en aannemen.
Ook het Joodse volk moet het Evangelie horen. Het is ‘immers een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek’ (Romeinen 1:16).

Afsluitende woorden
Na de tien stellingen volgt nog een afsluitend woord. Daar wordt betoogd dat het beloofde Messiaanse Koninkrijk van Jezus Christus al is gevestigd op deze aarde, waarmee wordt gedoeld op de Kerk. ‘Dat Koninkrijk zal in finale en eeuwige vorm worden gemanifesteerd bij de terugkeer van Koning Christus in al Zijn heerlijkheid,’wordt gesteld.

Mede op grond van Openbaring 20, Jesaja 2 en andere Bijbelgedeelten geloof ik dat het Messiaanse Koninkrijk pas zal worden gevestigd na de wederkomst van de Here Jezus naar deze aarde. Hij vergadert nu Zijn gemeente en straks – wie weet hoe spoedig al – zal Hij als Koning heersen.

Dan nog iets: Uiteindelijk gaat het niet eens om Israel. Het gaat ten diepste om de eer, de glorie en de verheerlijking van Gods grote Naam.
Heel mooi wordt dat aangegeven in Ezechiël 36:20-27: ‘Toen zij aankwamen bij de heidenvolken waarheen zij gegaan waren, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, omdat men van hen zei: Deze mensen zijn het volk van de HERE en toch zijn zij uit Zijn land vertrokken.
Maar Ik spaarde hen vanwege Mijn heilige Naam. Het huis van Israël had die ontheiligd onder de heidenvolken waarheen zij gegaan waren.
Zeg daarom tegen het huis van Israël: Zo zegt de Here HERE: Ik doe het niet om u, huis van Israël, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.
Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HERE ben, spreekt de Here HERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.
Ik zal u uit de heidenvolken halen en u uit alle landen bijeenbrengen. Dan zal Ik u naar uw land brengen.
Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.
Dan zal Ik u een nieuw hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit uw lichaam wegnemen en u een hart van vlees geven.
Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Ik zal maken dat u in Mijn verordeningen wandelt en dat u Mijn bepalingen in acht neemt en ze houdt.

Vanwege hun zonden, werd het volk verspreid over de heidenvolken. Daar ontheiligden ze Gods heilige Naam. Toch spaarde de Here hen, ook vanwege Zijn heilige Naam. Hier kondigt de Here vervolgens aan dat Hij hen vanuit de heidenvolken terug zal brengen naar hun eigen land. Daar zal Hij rein water op hen sprenkelen en zal Hij hun een nieuw hart en een nieuwe geest geven. Hij zal Zijn Geest in hun binnenste geven.
Deze Bijbelverzen zijn overduidelijk: Israel heeft niet afgedaan, maar er wacht hun een grote toekomst. Vol verlangen mogen we uitzien naar dat moment. Laten we op onze knieën gaan voor Israel en voor het Joodse volk. Dat zal heel wat meer zegen geven dat het schrijven van een open brief als deze.

Er wordt opgemerkt dat het Joodse volk een vooraanstaande rol heeft gespeeld bij het komen van het Messiaanse Rijk, waarmee gedoeld wordt op de komst van Christus. Maar nu is de rol van het Joodse volk uitgespeeld, aldus de opstellers. God behandelt Israel volgens hen nu net als alle andere volken. ‘Samen met andere gelovigen vormden de gelovige Joden het ware Israel van God, de Kerk van Jezus Christus.’

Ik proef hier een verwijzing in naar Galaten 6:16: ‘En allen die overeenkomstig deze regel wandelen: vrede en barmhartigheid zij over hen en over het Israel van God.’ Gelovigen uit de heidenen worden ingeënt op de edele olijfboom (Romeinen 11:17).

Ten slotte merken de briefschrijvers nog op dat de huidige seculiere staat van Israel niet een authentieke of profetische verwerkelijking van het Messiaanse Koninkrijk van Jezus Christus is. ‘Ook moet men geen dag verwachten waarop het Koninkrijk van Christus een onderscheidenheid van de Joden zal demonstreren, hetzij als een volk, hetzij als een land of als een stelsel van ceremoniële instituten en praktijken.’

Hoe triest zijn deze woorden. Overduidelijk wordt hier hoe springlevend de vervangingstheologie nog is. Alle beloften en toezeggingen aan het Joodse volk worden overgeheveld naar de Kerk, de Gemeente.
Zeker, de Gemeente mag en zal delen in Gods genade, maar laat de beloften ook staan voor Israel. ‘Heel Israel zal zalig worden’ (Romeinen 11:26). Het gaat daar wel degelijk over het Joodse volk en niet over de Gemeente.

Ik zou het de briefschrijvers willen vragen: ‘Heeft God Zijn volk verstoten?’ (Romeinen 11:1). ‘Volstrekt niet,’ is dan het duidelijke antwoord. Ik zou zeggen: bekeer u van deze heilloze weg en geloof de woorden van de Here. Het gaat er immers om dat we met onze woorden ‘niet de mensen zullen behagen, maar God’ (1 Thessalonisenzen 2:4).

De briefschrijvers doen een oproep aan door het ‘christenzionisme beïnvloede reformatorische en evangelische broeders en zusters om terug te keren naar de kernboodschap van de Schrift, zoals in de Reformatie is herontdekt. (…) Buiten Christus om geestelijk gefascineerd zijn door fysiek Israel kan het ‘sola’ van de genade slechts ondermijnen. We zijn geroepen terug te keren naar de verkondiging van het vrije aanbod van de genade van het Evangelie aan alle volken, inclusief alle kinderen van Abraham. Daartoe behoren ook alle Joden en Palestijnen.’

Wie gefascineerd is door fysiek Israel kan het ‘sola’ (alleen, dvg) genade slechts ondermijnen, wordt hier gesteld. Dit is een volstrekte karikatuur en volkomen onjuist. De Here wil juist Zijn zegen geven wanneer we betrokken zijn op Israel en op het Joodse volk.

Denk eens aan de Schotse prediker Robert McCheyne. Hij bad met zijn gemeente al lange tijd voor een opwekking, een herleving. Toen opende de Here zijn ogen voor het Joodse volk. En op grond van Bijbelwoorden als ‘Bid om de vrede van Jeruzalem, laat het goed gaan met hen die u liefhebben’ (Psalm 122:6) en ‘Ik zal zegenen wie u zegenen’ (Genesis 12:3a) gaf de Here hem liefde voor dat volk. Hij ging op reis naar het Midden-Oosten en naar Oost-Europa om aan de Joodse mensen die hij er vond het Evangelie te brengen. En ondertussen gaf de Here Zijn zegen: de opwekking kwam in zijn eigen gemeente, in Schotland. ‘Ik zal zegenen wie u zegent.’

Dirk van Genderen