Ik ben het bijbelboek Zacharia aan het bestuderen. Afgelopen week kwam ik aan bij hoofdstuk 7. Met name de laatste verzen van dat hoofdstuk raakten mij als nooit tevoren. Dat ik daar altijd overheen heb gelezen… Al een week lang lees ik elke dag deze verzen opnieuw, en elke keer weer raken ze mij.
In hoofdstuk 7 is het Tweestammenrijk en een klein deel van het Tienstammenrijk vanuit de ballingschap weer teruggekeerd in hun eigen land. Dan vragen ze de Here of ze moeten blijven treuren en moeten blijven vasten zoals ze dat ook in de ballingschap deden. Ze treurden en vastten vanwege de verwoeste tempel en de moord op Gedalia.
Echter, ze huilden en vastten omdat ze het zelf zo erg vonden en niet omdat de Here niet meer gediend en geëerd kon worden in Zijn huis. Ze toonden ook geen enkel berouw voor hun zonden, wat er de oorzaak van was geweest dat de tempel was verwoest en dat ze in ballingschap waren gevoerd.
Ze hadden hun hart als diamant zo hard gemaakt, om de woorden van de HERE van de legermachten maar niet te horen, Die Zijn Geest had gesproken door de profeten. Daarom was de HERE van de legermachten zeer verbolgen geworden (vers 12).
Dan volgen de beide verzen die mij zo raakten, de verzen 13 en 14.
13 Daarom is het gebeurd zoals Hij geroepen had maar waarnaar zij niet geluisterd hadden, evenzo riepen zij maar luisterde Ik niet, zegt de HERE van de legermachten.
14 Ik heb hen echter met een storm weggeblazen naar alle heidenvolken, die zij niet kenden. Het land werd achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen kon trekken of ernaar terugkeren. Zo maakten zij van het begerenswaardige land een woestenij.
De HERE van de legermachten had tot hen geroepen, maar zij hadden niet naar Hem geluisterd. Toen, in hun grote nood, in de ballingschap en de wegvoering, riepen zij tot de HERE van de legermachten, maar luisterde Hij niet.
O, wat verschrikkelijk. Gods oordeel werd voltrokken over Zijn volk. Vele malen had Hij hen ervoor gewaarschuwd, maar ze luisterden niet. En nu was dat werkelijkheid geworden in de ballingschap. Wat een drama voor Israel.
Met een storm (vers 14) had de HERE van de legermachten hen weggeblazen naar alle heidenvolken, die zij niet kenden. Storm spreekt van oordeel. Ze hadden zich niet bekeerd en nu was de maat vol.
Het volk had de roeping van de Here ontvangen om een zegen te zijn voor de wereld. Maar er was niets van terecht gekomen.
Wat mij zo raakte in deze verzen, is dat ik geloof dat ze niet alleen betrekking hebben op de tijd van de ballingschap, maar dat ze ook gelden voor de periode vanaf het jaar 70 na Christus, toen Jeruzalem werd verwoest tot het begin van de vorige eeuw, toen het volk weer terug begon te keren naar hun eigen land.
Wat mij het meest raakte waren de woorden: ‘…evenzo riepen zij, maar luisterde Ik niet, zegt de HERE van de legermachten’. Zo vaak hebben mensen al aan mij gevraagd waarom de Here niet luisterde toen Joodse mensen in concentratiekampen en toen ze de gaskamers ingingen en tot God riepen. En waarom Hij niet ingreep toen ze tijdens de kruistochten tot Hem riepen om redding. Waarom Hij dat niet deed tijdens de vervolgingen de afgelopen twintig eeuwen, waarom Hij dat niet deed toen Jeruzalem werd verwoest…
Hier was het directe antwoord. En wat een heftig antwoord van de HERE der legermachten zelf.
Zeer opmerkelijk is wat er nog meer in dat 14e vers staat: ‘Het land werd achter hen verwoest, zodat niemand erdoorheen kon trekken of ernaar terugkeren. Zo maakten zij van het begerenswaardige land een woestenij.’
Hoezeer is ook dit werkelijkheid geworden. Dat was al zo ten tijde van de ballingschap, maar zeker ook vanaf het jaar 70 tot aan het begin van de vorige eeuw. Het land werd verwoest. Woestijnen en moerassen. Een grote wildernis. Niemand kon erdoorheen trekken of ernaar terugkeren. Ook dat was het oordeel van de Here over de ongehoorzaamheid van Zijn volk. ‘Zo maakten zij van het begerenswaardige land een woestenij.’ Zij deden het, zij waren er de oorzaak van.
Het begerenswaardige land werd een woestenij. Het land Israel, wat de Here zelf had begeerd als Zijn eigen land. Lees maar, Psalm 132:13 en 14:
13 Want de HERE heeft Sion verkozen,
Hij heeft het begeerd tot Zijn woongebied.
14 Dit is, zei Hij, Mijn rustplaats tot in eeuwigheid,
hier zal Ik wonen, want naar haar heb Ik verlangd.
En zeker, heel de geschiedenis van het volk Israel door is er een overblijfsel geweest, naar Gods eigen Woord, van Joodse mensen die de Here kenden, die met Hem leefden, die de Here Jezus mochten kennen als hun Messias. Zij hoorden Zijn stem en Hij hoorde hen.
Gelukkig stopt het boek Zacharia niet bij hoofdstuk 7. Dan zou er geen enkele hoop meer zijn geweest voor het Joodse volk, voor het volk Israel, voor het land Israel. We lezen het al direct in eerste verzen van hoofdstuk 8.
1 Het woord van de HERE van de legermachten kwam tot mij:
2 Zo zegt de HERE van de legermachten:
Ik heb Mij met grote na-ijver voor Sion ingezet,
ja, met grote grimmigheid heb Ik Mij voor haar ingezet.
3 Zo zegt de HERE:
Ik ben naar Sion teruggekeerd
en Ik zal midden in Jeruzalem wonen.
Jeruzalem zal ‘stad van de waarheid’ genoemd worden,
de berg van de HERE van de legermachten ‘de heilige berg’.
4 Zo zegt de HERE van de legermachten:
Er zullen weer oude mannen en oude vrouwen zitten
op de pleinen van Jeruzalem,
ieder met zijn stok in zijn hand
vanwege de hoge leeftijd.
5 De pleinen van de stad zullen vol worden
met jongens en meisjes
die spelen op haar pleinen.
6 Zo zegt de HERE van de legermachten:
Al zou het in die dagen wonderlijk zijn in de ogen
van het overblijfsel van dit volk,
zou het ook in Mijn ogen wonderlijk zijn?
spreekt de HERE van de legermachten.
7 Zo zegt de HERE van de legermachten:
Zie, Ik ga Mijn volk verlossen
uit het land waar de zon opkomt
en uit het land waar de zon ondergaat.
8 Ik zal hen hierheen brengen,
zij zullen midden in Jeruzalem wonen.
Zij zullen Mij tot een volk zijn,
en Ík zal hun tot een God zijn,
in waarheid en in gerechtigheid.
Er komt een einde aan het lijden van Israel. Er komt het einde aan de verstrooiing. Er komt een einde aan de verwoesting van het land.
We leven nu middenin de periode van herstel. De Here zet Zich met grote ijver in voor Zijn volk. Het land wordt hersteld. Het land bloeit. De woestijn bloeit. Het volk keert terug. Er zitten weer oude vrouwen en oude mannen op de pleinen van Jeruzalem (vers 4). De jongens en de meisjes spelen weer op de pleinen.
De verlossing van het volk is in volle gang, maar de verlossing is nog niet voltooid. In een allerlaatste poging van de satan om Gods verlossingsplan met Israel en de wereld definitief kapot te maken, zal er nog een verwoestende strijd om Israel losbranden. In de grote crisissituatie die dan zal ontstaan, zal Christus terugkomen op de Olijfberg en voor Zijn volk strijden en het redden (Zacharia 14). Heel Israel zal dan zalig worden, waarna Hij Zijn Rijk van vrede en gerechtigheid zal oprichten (Zacharia 13:1, Romeinen 11:26 en Openbaring 20).
Dan zal het zijn: ‘En het zal geschieden dat voordat zij roepen, Ik zal antwoorden, terwijl zij nog spreken, Ik zal horen’ (Jesaja 65:24).
En wat een genade, allen die de Here Jezus mogen kennen als hun Here en Heiland, uit Israel en uit de volkeren, zullen dan delen in Zijn heerlijkheid. De al gestorven heiligen zullen opstaan van tussen de doden en de nog levende gelovigen zullen op datzelfde moment een opstandingslichaam ontvangen en de Here tegemoet gaan in de lucht (1 Thessalonisenzen 4).
Wat een heerlijke toekomst ligt er voor ons! Maranatha – Onze Here, kom!
Dirk van Genderen