Danken in de woestijn

We danken graag als alles ons voor de wind gaat. ‘De Here zegent ons. Dank U wel.’ Maar danken in de woestijn? Dat is een stuk moeilijker. ‘Here, het doet zo’n pijn, maar toch, dank U wel. Het is genade dat ik U nog mag, nog kan danken. Het gaat om U alleen, om Uw eer. Ik geef mij helemaal aan U. Niemand kan mij meer helpen, U bent de enige.’

Een woestijnperiode kan ook een tijd van geestelijke crisis zijn. Laten we het maar niet mooier maken dan het is. En ook als je de situatie in Gods handen kunt geven, kun je nog enorm heen en weer geschud worden.
Het bemoedigt mij telkens weer om in de Bijbel te ontdekken dat een woestijnperiode in Gods plan kan passen om levens van mensen te veranderen naar het beeld van de Here Jezus en sommigen klaar te maken voor nieuwe taken.

We lezen in de Bijbel over de Here Jezus, Die 40 dagen in de woestijn was. Over Johannes de Doper, die jaren in de woestijn was. Over het volk Israel, dat 40 jaar in de woestijn rondzwierf.
De woestijn is de plaats van voedselgebrek, watertekort. Het is een plaats van eenzaamheid, van honger, van dorst…

De woestijn is ook de plaats waar de Here Zich wil openbaren. Het is eveneens de plaats waar de satan zich thuis voelt. In de woestijn viel hij het volk Israel aan, richtte hij zijn pijlen op Mozes en op Aaron en in de woestijn verzocht hij de Here Jezus.

De natuurlijke mens, die de Here niet kent, zal God niet zien in de woestijn. Maar de geestelijke mens, degene die de Here wel kent, zal Hem juist is de woestijn ontmoeten.
In de woestijn wil de Here Zijn zegen geven, door Zijn aanwezigheid. In de woestijn wil Hij op bijzondere manieren voorzien in onze noden. In de woestijn wil Hij ons leren helemaal op Hem te vertrouwen. In de wildernis van de woestijn ben je totaal op Hem aangewezen.

In Hosea 2 lezen we dat Israel God verworpen had. Vervolgens neem God alles van haar af, omdat ze het voor de Baäl hadden gebruikt.
Een treffend beeld van veel kerken en mensen die zich christen noemen. Het getuigenis is weg. We zijn zo gericht op onszelf en op het hier en het nu. En we vragen ons misschien af hoe we God kunnen gebruiken om er zelf beter van te worden. We zijn vergeten dat het om de Here alleen moet gaan, om Zijn eer, Zijn glorie. Is het mogelijk dat de Here ook alles van ons af kan nemen? Misschien is dat wel de enige manier waarop Hij weer de volle aandacht van Zijn volk kan krijgen.

Dan volgen er in vers 13 van Hosea 2 bijzondere woorden:
Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken,
Haar de woestijn in leiden,
En naar haar hart spreken.

Daar, in de woestijn, komt het weer goed tussen de Here en Zijn volk. Het is Zijn genade als Hij ons in de woestijn brengt om Zichzelf aan ons te openbaren. Om te laten zien: deze dingen brachten je van Mij af. Ik doe het voor Mijn glorie, voor Mijn eer.

Misschien bevindt u zich ook wel in de woestijn, in de wildernis. Daar zijn verleidingen. Daar zijn moeiten, problemen, zorgen. Daar kunt u in opstand tegen de Here komen. Het is er zo verschrikkelijk, hoe kan Hij dat toelaten? De satan wil u wegtrekken bij de Here vandaan. Zoals Hij dat ook bij de Here Jezus probeerde te doen. Maar de Zoon van God weerstond hem: ‘Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Here, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’ (Mattheus 4:10).

Laten wij ook die weg gaan, wanneer we geestelijk worden aangevallen. Wanneer de satan ons beschuldigt, via onze gedachten of door andere mensen heen. Houd je vast aan het Woord van God en klem je vast aan de Here Jezus. Sta vast in het geloof, weerstaat de satan, zoals ook de Here Jezus dat deed, en hij zal van je vandaan vluchten.

God schrikt er niet voor terug om tijd te nemen om aan ons te werken. En soms laat Hij toe dat we daarvoor een tijd in de woestijn moeten doorbrengen. Mag dit ons bemoedigen wanneer we door de moeilijkheden heengaan, en aansporen om juist dan in Gods tegenwoordigheid te zijn.

Ook, en misschien juist dan, wanneer ons aardse huis wordt afgebroken en we weten dat we op de drempel van de eeuwigheid staan. Wat een genade om dan te mogen weten dat we een ‘gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen’ (2 Korinthe 5:1). In deze tent, in dit aardse leven zuchten we, gaat dan het 2e vers verder, en we verlangen er vurig naar met onze woning uit de hemel overkleed te worden.

Dirk van Genderen