Let op Israel!

Wanneer iemand vraagt: ‘Bewijs maar eens dat God bestaat’, dan is mijn reactie vaak: ‘Let op Israel’. Meer dan 2500 jaar geleden heeft God al voorzegd dat het Joodse volk over de hele wereld verstrooid zou worden, maar ook dat Hij het volk ooit weer terug zou brengen naar hun eigen land. Wij zijn een zeer bevoorrechte generatie, omdat we met onze ogen zien dat tientallen Bijbelse profetieën die deze terugkeer aankondigen, worden vervuld. We zien nog uit naar de definitieve vervulling: het hele volk komt thuis en heel Israel zal zalig worden.

De profeten in het Oude Testament kondigden het al aan. We kunnen het lezen. Doet u dat vooral. Ga maar eens lezen in Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Daniel en in de andere profeten. Het volk Israel, dat aan de Here ongehoorzaam was, zou over de hele aarde worden verstrooid. Maar ooit zal de tijd aanbreken dat het volk weer terug zal keren.

Door hun struikeling, doordat zij het Evangelie afwezen, is het Evangelie tot ons gekomen. ‘De zaligheid is uit de Joden,’ zegt Johannes 4:22.
Als je dit werkelijk beseft, ga je Israel niet beschuldigen van het kruisigen van de Messias. Dan ga je niet zeggen dat de kerk in plaats van Israel is gekomen. Dan ga je niet zeggen dat er geen toekomst meer is voor het Joodse volk.

In de afgelopen tweeduizend jaar is diverse keren geprobeerd het Joodse volk totaal uit te roeien. Maar alle pogingen daartoe mislukten. God liet wel het lijden van het Joodse volk toe, maar niet dat het volk van de aardbodem zou verdwijnen.
Zo’n anderhalve eeuw geleden is de terugkeer van het Joodse volk naar het land van hun voorvaders voorzichtig begonnen. De stroom terugkerende Joden werd steeds groter. Alsof ze geleid werden door een onzichtbare hand. Dat was ook zo, want de tijd van de verstrooiing naderde het einde.

Tweeduizend jaar diaspora heeft het Joodse volk overleefd. Dat alleen al is een bewijs van Gods trouw. Het was een wonder dat in 1948 een deel van het oorspronkelijke gebied dat de Here Zijn volk had toegezegd, weer in Joodse handen kwam. Alle eeuwen door waren er gelovigen geweest die uitzagen naar dat moment, die daar altijd voor waren blijven bidden.

Het gebeurde op één dag, 14 mei 1948. Als een vervulling van Jesaja 66:8 – ‘Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft iets dergelijks gezien? Zou een land geboren kunnen worden op één dag? Zou een volk geboren kunnen worden in één keer? Maar Sion heeft nauwelijks weeën gekregen, of zij heeft haar zonen al gebaard.’

Het is de vervulling van Ezechiël 37. Ezechiël ziet een vallei vol dorre doodsbeenderen. Een beeld van het verstrooide Joodse volk over de hele wereld.
Ezechiël moet spreken tot die beenderen: ‘Zo zegt de Here HERE tegen deze beenderen. Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen. Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HERE ben’ (vers 5 en 6).

Zeker, in het verleden is er de terugkeer uit de ballingschap geweest, maar velen zijn ook nooit teruggekeerd. Ik meen dat we nu getuige zijn van de totale vervulling van deze profetie, zoals Ezechiël al voorzag: ‘Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, elk been bij het behorende been. En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen’ (vers 7 en 8).

Toch ontbreekt er nog iets, namelijk de geest. Daarom krijgt Ezechiël een nieuwe opdracht van de Here. ‘Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer mensenkind. Zeg tegen de geest: Zo zegt de Here HERE: Geest, kom uit de vier windstreken en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen’ (vers 9).
Dan gebeurt er iets heel bijzonders: ‘Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger’ (vers 10).

Soms wordt dit Bijbelhoofdstuk zo gelezen alsof het hier gaat over Gods werk in de gemeente. De dorre doodsbeenderen zouden de ongelovigen zijn – zowel heidenen als Joden – en degenen in wie de Geest komen, zijn dan de gelovigen – eveneens uit Joden en heidenen.
En zeker, zo mogen we dit hoofdstuk ook lezen, maar dit is niet de eerste bedoeling van Ezechiël 37. Het gaat hier allereerst over Gods wel met het volk Israel.

Lees maar, vers 11: ‘Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israel.’ Dit is toch duidelijke taal. Het gaat hier over het hele huis van Israel: zowel Juda als Efraïm (vers 16).

Gegarandeerd zeker gaat het moment komen dat de Heilige Geest in heel het volk gaat komen. Daar mogen we naar uitzien. Daar mogen we de Here op wijzen. Daar mogen we om bidden.
In de verzen 12 tot 14 wordt dit heel duidelijk toegezegd: ‘Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land Israel.
Dan zult u weten dat Ik de HERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.
Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ik, de HERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HERE.’

Weet u, ik probeer me hier een voorstelling van te maken. Elke keer wanneer er weer ergens ter wereld een Jood tot de overtuiging komt voorgoed naar Israel te gaan, gaat er weer een graf open.
Of alle Joodse mensen al terug zullen zijn in Israel als de Here Jezus, de Messias terugkomt, weet ik niet. Maar ze zullen Hem allemaal zien en tot geloof komen. En allen zullen zij terugkomen in hun eigen land.

We leven nu nog in de tijd dat de Geest nog niet in het volk als geheel is gekomen. Dat gaat gebeuren. Wel is er een aanzienlijke groep Joodse mensen, in Romeinen 11 het gelovige overblijfsel genoemd, die al wel de Geest heeft ontvangen. Het zijn als het ware de ritselingen van wat komen gaat: ‘En zo zal heel Israel zalig worden’ (Romeinen 11:26a).

Hoe groot Gods plannen met Israel ook zijn, we mogen nooit vergeten dat het uiteindelijk niet om Israel of om het Joodse volk gaat, maar om de Here Jezus, om Zijn eer en glorie, om de verheerlijking van Zijn grote Naam.
Ezechiël 36:22 en 23 zegt immers: ‘Ik doe het niet om u, huis van Israel, maar om Mijn heilige Naam, die u ontheiligd hebt onder de heidenvolken waarheen u gegaan bent.
Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HERE ben, spreekt de Here HERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.’

Dirk van Genderen