De Gereformeerde Gemeenten beleggen op zondag 11 mei een dag van verootmoediging en boete met het oog op de ernst van de tijd waarin we leven. Ik betreur het dat niet heel christelijk Nederland zich bij deze dag van verootmoediging en boete heeft aangesloten. Graag doe ik dat wel. Afgelopen dinsdagavond las ik een paar verzen uit Jeremia 14 die heel treffend de noodzaak verwoorden om ons voor de Here te verootmoedigen.
Tal van bezwaren zijn ingebracht tegen de oproep vanuit de Gereformeerde Gemeenten. Bijna alle andere kerken en gemeenten houden afstand. De verdeeldheid in kerkelijk Nederland is kennelijk zo groot, dat we afstand tot elkaar bewaren. Dat is een buitengewoon verdrietige zaak. Zeker, er is van alles aan te merken op dat kerkverband, maar op welk kerkverband of op welke gemeente niet?
Wie zich voor de Here verootmoedigt, zal het wel uit z’n hoofd laten om met de beschuldigende vinger naar andere gelovigen te wijzen. Er is zoveel hoogmoed in onze christelijke wereld en vaak ook in ons eigen hart. De één weet het nog beter dan de ander. Kennen we iets van de houding van Paulus: ‘Mij, de allerminste van alle heiligen, is deze genade gegeven…’ (Efeze 3:8).
Dit zijn de woorden van de profeet Jeremia waar ik aan het begin op doelde, hoofdstuk 14:7-9:
7 Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen,
HERE, doe het omwille van Uw Naam,
want talrijk zijn onze afdwalingen,
tegen U hebben wij gezondigd.
8 U, Hoop van Israël,
zijn Verlosser in tijd van benauwdheid,
waarom zou U zijn als een vreemdeling in het land,
als een reiziger, die slechts van de weg afwijkt om te overnachten?
9 Waarom zou U zijn als een radeloze man,
als een held die niet verlossen kan?
U bent toch in ons midden, HEERE,
en wij zijn naar Uw Naam genoemd,
verlaat ons niet.
In heftige bewoordingen moest Jeremia het oordeel aankondigen aan het volk Israel. Het volk had de Here de rug toegekeerd en in plaats van de Here te dienen en te volgen, vereerden ze de afgoden.
Jeremia was zo geraakt door de oordelen die de Here ging voltrekken, dat hij een uiterste poging deed om het oordeel af te wenden.
Here, U staat in Uw recht, onze ongerechtigheden getuigen tegen ons. Talrijk zijn onze afdwalingen. Tegen U, U alleen, hebben wij gezondigd.
Voor ons land, ons volk geldt toch hetzelfde? Ook de zonden van ons land en ons volk roepen tot God in de hemel. Hoelang heeft de Here nog geduld met ons?
En zeker, God zij dank, Hij is zeer barmhartig en zeer genadig, maar Zijn geduld is niet eindeloos.
Laten we ons ook verootmoedigen over de zonden in onze kerken en onze gemeenten, in onze christelijke organisaties. Er gebeurt teveel wat dwars tegen de wil van God ingaat, waar geen zegen op kan rusten.
Ook zijn velen Israel vergeten, Gods volk. Misschien zijn we wel gaan geloven dat wij de plaats van Israel hebben ingenomen. Maar Israel is Gods land, het Joodse volk Gods volk en Jeruzalem Gods stad. ‘Here, open onze ogen voor de geweldige toekomst van Israel.’
Jeremia doet een beroep op de Naam van Here. Wees ons genadig omwille van Uw Naam. De volken zullen Uw Naam lasteren wanneer ze zien dat Uw volk gestraft wordt.
Het is prachtig om te lezen hoe hij de Here aanspreekt: ‘Hoop van Israel, Verlosser in tijd van benauwdheid…’
Ook voor Nederland is de Here onze enige Hoop. Alleen Hij kan ons verlossen in deze tijd van benauwdheid.
‘Here, doe het, wees ons genadig, we verootmoedigen ons voor U. We hebben geen enkel recht op Uw genade, maar toch Here, vergeef ons onze zonden, die groot zijn. Veel van Uw kinderen, Here, ervaren een benauwdheid, een grote smart, omdat ons land zich meer en meer van U afwendt. Here, wees ons genadig, ontfermt U Zich over ons. Stort Uw Heilige Geest over ons uit, de Geest van de genade en de gebeden. Schenk een geestelijke herleving.’
Jeremia roept tot de Here om genade voor het volk. Als U het volk wegvoert, Here, blijft U alleen over in het land.
In vers 9 doet de profeet nog een uiterste poging om de Here te bewegen het volk genadig te zijn: ‘U bent in ons midden, HERE, en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.’
Kennen wij iets van deze geestelijke strijd van Jeremia voor zijn volk? Wij maken toch deel uit van ons volk? En sommige lezers wellicht van een ander volk, omdat deze Nieuwsbrief wereldwijd wordt gelezen. Bid dan voor het volk waar u momenteel deel van uitmaakt.
Wij kunnen ons niet voorstellen hoe zwaar de geestelijke strijd van Jeremia was. Deze strijd vindt z’n voorlopige climax in de laatste verzen van Jeremia 14. Wanneer ik de woorden lees die hij opzendt tot de Here, dan raken die mij, de verzen 19 tot 22.
19 Hebt U Juda dan helemaal verworpen,
of walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons zo geslagen dat er geen genezing voor ons meer mogelijk is?
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
20 HERE, wij kennen onze goddeloosheid,
de ongerechtigheid van onze vaderen, want wij hebben gezondigd tegen U.
21 Verwerp ons niet omwille van Uw Naam,
maak Uw heerlijke troon niet te schande,
denk aan Uw verbond met ons, verbreek het niet.
22 Zijn er onder de nietige afgoden van de heidenvolken die het laten regenen,
of kan de hemel regendruppels geven?
Bent U dat niet, de HERE, onze God?
Wij zien naar U uit,
want al deze dingen doet U!
Het is nog een laatste poging van Jeremia om de Here op andere gedachten te brengen en de oordelen af te wenden. ‘Here, wij hebben tegen U gezondigd, verwerp ons niet omwille van Uw Naam (…) Wij zien uit naar U… U bent de enige Die ons nog kunt redden.’
Kunt u het zich voorstellen? Jeremia wist dat de oordelen van God over het volk op het punt stonden te ontbranden. Omdat het volk hoereerde met afgoden.
Heftig is dan het antwoord dat Jeremia van de Here krijgt in hoofdstuk 15, in het eerste vers.
‘De HERE zeide tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan nog zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur hen voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!’
Lieve mensen, laten we als een Jeremia op de bres gaan staan voor ons land en voor ons volk en het belijden: ‘Here, wij hebben gezondigd, wees ons genadig. Wend Uw oordeel af van ons volk. Schenk een herleving. Verlevendig Uw kinderen. Schenk eenheid, vergeving en verzoening, dat we de ander voortreffelijker zullen achten dan onszelf (Filippenzen 2:3). Tot eer van U en tot zegen van anderen. Amen.’
Dirk van Genderen