Niet de mensen behagen, maar God

‘Want ben ik nu bezig mensen te overtuigen, of God? Of probeer ik mensen te behagen? Als ik immers nog mensen behaagde, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn’ (Galaten 1:10).
Voor mensen die Gods Woord brengen – of dat nu is via (s)preekbeurten of via geschreven teksten – is er altijd de verleiding een woord te brengen waarvan je weet dat mensen ervan genieten. De vraag die speelt, is: wil je mensen behagen of God?

Wie mensen behaagt, wordt gewaardeerd, geroemd. De boodschap is als een aai over je bol. Maar de prediker, de schrijver die allereerst God wil behagen, zal te maken krijgen met tegenstand. De boodschap maakt onrustig, prikkelt.
Paulus zegt hierover in Galaten 1:11 en 12: ‘Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie dat door mij verkondigd is, niet naar de mens is. Want ik heb dat ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus.’

Zeker, we zullen naar mensen moeten luisteren, open moeten staan voor opbouwende kritiek, maar sprekers en schrijvers zullen voor alles de Heere moeten gehoorzamen, zo schrijven, zo spreken als Hij wil. Dat is ook mijn verlangen.
Toen ik hierover nadacht, kwam Handelingen 4:13 mij in gedachten: ‘Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich en herkenden zij hen als mensen die met Jezus samen geweest waren.’

Deze laatste woorden vind ik zo mooi: ‘Zij herkenden hen, dat zij met Jezus samen geweest waren.’ Dit is iets wat je vaker tegenkomt in de Bijbel. Bijvoorbeeld bij Mozes. Wanneer hij bij God op de berg was geweest, of Hem had ontmoet in de tent van de samenkomst, kwam er een hemelse glans op zijn gezicht, zodat het volk kon zien dat hij God had ontmoet.

Ik hoop dat u zich herkent in dit verlangen om zo met de Heere Jezus te leven, met Hem te wandelen, dat anderen herkennen dat we bij Hem zijn geweest en met Hem leven, met Hem wandelen.
Het is mijn verlangen om voor alles de Heere te behagen. Het is niet altijd gemakkelijk om die weg te gaan, omdat je vooraf al weet dat sommige mensen zullen steigeren als ze je boodschap horen of lezen. Iedereen is toch gevoelig voor complimenten en schouderklopjes. Niemand vindt het toch leuk om een afwijzing te ontvangen.
En zeker, niet altijd ligt een afwijzing aan de inhoud van de boodschap, maar kan ook worden veroorzaakt doordat de boodschap op een manier wordt gebracht die hoorders en lezers niet aanspreekt.

Uiteindelijk gaat het erom dat de Heere eenmaal zal zeggen: ‘Goed gedaan, goede en trouwe slaaf…’ (Mattheus 25:21 en 23). Soms moet je dan een boodschap doorgeven, waarvan je weet dat die weerstand zal oproepen, omdat je zeker weet dat de Heere wil dat die boodschap klinkt.

U zegt misschien: ‘Jouw kijk op de Bijbel is ook gekleurd’. Dat is zeker waar, maar het is mijn verlangen om Gods Woord te kennen en alles daaraan te toetsen. Daar mogen we elkaar op aanspreken. Nu we dichter bij de wederkomst van de Heere Jezus komen, wordt dit steeds belangrijker, omdat de satan weet dat hij nog maar een korte tijd heeft en zich daarom des te meer zal inspannen om zo mogelijk ook de uitverkorenen te misleiden (Mattheus 24:24).

In de boodschap die wordt doorgegeven, zal bewogenheid moeten doorklinken. Omdat God met ons bewogen is. Dat is ook mijn verlangen: om nog meer met mensen bewogen te zijn, vanuit de bewogenheid, de ontferming van God.
Bewogen met allen, ook met struikelende medechristenen, met mensen die de Heere Jezus nog niet kennen, met mensen die in onze ogen een zondige weg gaan.
Het is mijn verlangen, mijn gebed: ‘Geef mij nog meer van Uw genade, Heere Jezus, zodat Uw bewogenheid nog meer zichtbaar, hoorbaar en leesbaar zal worden in en door mij heen.’

Dirk van Genderen