Confrontatie tussen God en de afgoden

Daar staat Elia, op de berg Karmel. Tegenover 450 priester van de Baäl. Een confrontatie tussen God en de afgoden. Elia twijfelt geen moment. Hij staat daar in de Naam van de Heere van de legermachten, de God van Israel. Het volk kijkt toe. Kiest niet. Wacht af. Eerst zien, en dan geloven.

Achab is koning van Israel geworden. Hij doet, zegt 1 Koningen 16, wat slecht is in de ogen van de Heere, meer dan allen die vóór hem waren geweest. Hij trouwt met Izebel en gaat haar god dienen, de Baäl. Hij richt voor de Baäl zelfs een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij in Samaria heeft gebouwd.
Ook maakt hij een gewijde paal, zodat Achab nog meer doet om de Heere, de God van Israel tot toorn te verwekken. En die toorn komt. De HEERE stuurt Zijn profeet Elia naar Achab, met de boodschap: ‘Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!’

Dan volgt 1 Koningen 18. Na vele dagen komt het woord van de Heere tot Elia, in het derde jaar: ‘Ga, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op de aardbodem.’ Als Achab Elia ziet, roept hij hem toe: ‘Bent u diegene die Israël in het ongeluk stort?’
‘Ík heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar ú en het huis van uw vader, doordat u de geboden van de HEERE verliet en achter de Baäls aan gegaan bent,’ reageert Elia.

‘Hoelang hinkt u nog op twee gedachten?’
Elia geeft Achab de opdracht heel Israel bijeen te brengen op de berg Karmel, met de 450 profeten van de Baäl en de 400 profeten van Asjera, die aan de tafel van Izebel eten.
Als allen vergaderd zijn, komt Elia naar voren en houdt het volk voor: ‘Hoelang hinkt u nog op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem!’
Het volk kijkt toe en reageert niet. Verbijsterend. Elia spreekt verder: ‘Alleen ík ben overgebleven als profeet van de HEERE, maar de profeten van de Baäl zijn met 450 man.’

Dit is heel herkenbaar. Als je op zondag (en voor sommigen zaterdag) eens om je heen kijkt als je naar de samenkomst van je gemeente gaat, dan kun je dat gevoel ook hebben: ‘Ik ben bijna de enige die nog gaat.’

Nu komt het erop aan. Daar staat Elia in z’n eentje, tegenover honderden valse profeten. Maar hij weet dat de Heere van de legermachten met hem is. Elia houdt de leiding en vraagt om twee jonge stieren. De Baälpriesters mogen er één kiezen om te offeren, de andere is voor hem.
Dan zegt Elia: ‘Roept u de naam van uw god aan, dan zal ík de Naam van de HEERE aanroepen. En de God Die door vuur antwoordt, Die is God.’ En het hele volk antwoordt en zegt: ‘Dat is goed.’

Als de Baälpriesters hun offer gereed hebben, roepen ze hun god, de Baäl aan, van de morgen tot de middag: ‘O Baäl, antwoord ons!’ Maar er komt geen stem en er is niemand die antwoordt. Zij springen zelfs tegen hun altaar aan.
Elia spot met hen en zegt: ‘Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij wel en moet hij wakker worden!’
Dan schreeuwen ze nog harder en snijden in hun lichamen, zodat het bloed eruit stroomt. Ze raken zelfs in geestvervoering, maar er gebeurt niets.

Water over het altaar
Dan is het de beurt aan Elia. Hij roept het volk om zich heen. Hij herstelt eerst het altaar van de Heere, dat verwoest was. Dan neemt hij twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob, tot wie het woord van de Heere was gekomen: Israel zal uw naam zijn.
Met die stenen bouwt hij het altaar in de Naam van de Heere. Dan maakt hij een geul rondom het altaar. Hij schikt het hout, verdeelt de stier in stukken en legt die op het hout.
Vervolgens geeft Elia opdracht vier kruiken met water te vullen en over het brandoffer en het hout te gieten. Tot drie keer toe wordt dat gedaan, zodat ook de geul rondom het altaar vol water staat. Niemand zal meer kunnen zeggen dat het altaar door de hitte of door iets anders spontaan in brand is gevlogen. De Baälpriester kijken angstig toe. Hun reputatie staat op het spel….

Dan, op het moment dat het graanoffer wordt gebracht, komt Elia naar voren. Dat hij dat juist op dit moment doet, is een verwijzing naar het avondoffer dat op dat moment in de tempel wordt gebracht, maar waar het Tienstammenrijk al sinds 50 jaar verstoken is. Dat gebeurde onder koning Jerobeam.

Elia zegt: ‘HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.’
Plotseling valt er vuur van de Heere neer uit de hemel en verteert het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul verdampt door de hitte.

Het volk is geschokt. Ze werpen zich met hun gezicht ter aarde en zeggen: ‘De HEERE is God, de HEERE is God!’
De Heere toont Zijn almacht op een ongekende wijze. Als u nog eens in Israel bent en op de Karmel staat, denk er dan eens aan dat hier vuur van God uit hemel kwam. Zo machtig is Hij.
Dan zegt Elia: ‘Grijp de profeten van de Baäl! Laat niemand van hen ontkomen.’ Zij grijpen hen, en Elia voert hen af naar de beek Kison en slacht hen daar af.

Zeven keer naar de top van de berg
Elia waarschuwt Achab: ‘Ga op weg, eet en drink, want er is een gedruis van een overvloedige regen.’ Er zal een einde aan de droogte komen.
Elia klimt naar de top van de Karmel, buigt zich voorover ter aarde en legt zijn gezicht tussen zijn knieën. Hij zal de Heere gedankt hebben voor het vuur dat Hij zond, Hij zal tot de Heere geroepen hebben om regen. Maar ik kan me ook voorstellen dat Elia de Heere al heeft gedankt voor de regen die Hij zou zenden.

Hij stuurt zijn knecht eropuit naar de top van de berg om te zien of de regen al zichtbaar is, maar de lucht is nog strakblauw, zo ver je kunt kijken.
Korte tijd later stuurt Elia hem weer naar boven, en nog een keer, en weer opnieuw…
Ook na de zesde keer is er nog niets te zien. Het gebed van Elia zal intenser zijn geworden. ‘Heere, U moet het nu wel doen, anders zal de koning U bespotten en mij doden…’

En dan, wanneer de knecht voor de zevende (= getal van de volheid) keer naar de top van de Karmel klimt, ziet hij boven de zee een klein wolkje, zo groot als de man van een hand.
Elia weet het zeker, zijn gebed om regen is verhoord. In korte tijd is de hemel zwart van wolken en wind, en komt er een hevige regen.

‘De hand van de Heere was op Elia’
Dan staat er nog iets heel moois in vers 46: ‘En de hand van de HEERE was op Elia.’ Waar Elia was, was de Heere. Hij ging met Hem mee, Hij leidde hem, Hij gaf hem de moed om daar op de Karmel in z’n eentje te staan tegenover de Baäl-priesters, het volk en de koning, Hij gaf hem het geloof om te bidden om regen.
De ‘hand van de Heere’ maakte hem sterk. Zo sterk, dat hij Achab kon begeleiden tot aan zijn vesting bij Jizreël.

Jakobus 5:16-18 zegt over deze geschiedenis: ‘Een krachtig gebed van een rechtvaardige brengt veel tot stand. Elia was een mens net zoals wij en hij deed een vurig gebed dat het niet zou regenen en het regende niet op de aarde, drie jaar en zes maanden. En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.’

Elia was een mens zoals wij. In de grondtekst zit bij de woorden ‘…een krachtig gebed van een rechtvaardige brengt veel tot stand…’ de gedachte dat het werkzame gebed van een rechtvaardige veel kracht heeft, veel tot stand brengt.
Een rechtvaardige is iemand die de wil van God doet (Jakobus 1:25 en 27).
God, op Wie in het gebed een beroep wordt gedaan, maakt het gebed werkzaam. Door het gebed te verhoren. Zo’n gebed brengt veel tot stand.

Kennen wij hier iets van, om net als Elia zo aan te houden in het gebed, in het geloof en het vertrouwen dat de Heere zal horen en verhoren?
Wij ontkrachten onze gebeden zo vaak, door er heel snel aan toe te voegen, dat God verhoort op Zijn tijd en naar Zijn wil. En natuurlijk is dit waar, maar Elia heeft echt niet gebeden: ‘Heere, wilt U vuur geven, als het Uw wil is’, of: ‘Heere, wilt U regen geven als het Uw wil is.’

De God van Elia is ook onze God, de Levende, de Almachtige. Het is mijn gebed: ‘Heere, laat mij als ooit Elia zo ook in alles op U vertrouwen.’
Door het geloof in de Heere Jezus mogen wij deze God onze Vader noemen. Wat een voorrecht, wat een genade!
We lazen dat de ‘hand van de Heere’ op Elia was. Zo is, als we de Heere Jezus mogen kennen, de Heilige Geest voortdurend in en op ons. We zijn zo rijk gezegend, door Hem, Die we liefhebben omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.

Gods almacht
Wat een bewijs van Gods almacht klinkt in deze geschiedenis! De Heere is groot en zeer te prijzen. Hij laat niet met Zich spotten. Dat denken wij misschien wel eens, maar de Heere ziet het. Hij ziet ons land, ons volk, onze gemeente, ons eigen leven.
‘Als de Heere God is, volg Hem, als de Baäl god is, volg hem…’ Die woorden klinken ook nu.
Bij de hedendaagse Baäls denken we aan geld, carrière, seks, voetbal, geld, het occulte, aan Allah, de god van de islam en aan vele andere afgoden.
Maar het kan ook zo zijn dat het lijkt alsof we de Heere dienen, maar toch onze eigen weg gaan. Dat was bij het volk Israel ook zo. Aan de buitenkant leek het alsof ze de Heere dienden, maar ze volgden de Baäl.

Wie is uw God? ‘De God Die door vuur antwoordt, Die is God,’ sprak Elia tot het volk. Volg Hem! Breek met uw afgoden, verbrandt ze, vernietig ze, radicaal. Anders kost het u uw leven, niet alleen dit korte poosje op aarde, maar de eeuwigheid.

Met vuur
Ook vandaag kan de Heere met vuur antwoorden. Daarbij denk ik niet allereerst aan letterlijk vuur, zoals hier, hoewel voor Hem niets te wonderlijk is. Hij kan het vuur van Zijn Geest uitstorten over volken, gemeenten, mensen, ook in uw hart. Dan weet je het ineens: Dit is God. Zoals de mensen op de eerste pinksterdag werden geraakt in hun hart door de preek van Petrus, waarop ze het uitriepen: ‘Wat moeten wij doen?’ (Handelingen 2:37).
Daarop antwoordde Petrus: ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.’

Ik bid de Heere dat Hij ook vandaag mensen als Elia geeft. Die zo in Zijn dienst staan, dat ze weten wat van God is en wat van de Baäl is. Die geen angst voor mensen hebben, maar alleen de Heere vrezen.
Mensen, die met de Heere wandelen, met Hem leven, Zijn aangezicht zoeken en zich door Hem laten leiden, door Zijn Geest. Wat het hen ook kost: hun baan, hun reputatie, hun vrienden of zelfs hun leven.

Het zijn wellicht de éénlingen, mensen als Elia, Mozes, Johannes de Doper, Daniël, Petrus… Gods vertegenwoordigers op aarde. Door Hem gezonden, om Zijn woorden te spreken.
Woorden die mensen raken tot in het diepst van hun hart. Omdat het Gods woorden zijn. Woorden die hen die ze horen, op de knieën brengen, bij de Heere Jezus.

Dirk van Genderen