Handen vouwen tijdens de preek

Deze week wil ik uw aandacht graag richten op enkele bidders. Niet om hen persoonlijk in de schijnwerpers te zetten, maar om het verlangen in u te ontbranden naar wat de Heere kan, wil en zal doen op de gebeden van Zijn kinderen. Vaak kunnen we zoveel leren van medegelovigen, deze keer van bidders uit vroeger tijden, zoals Charles Haddon Spurgeon, George Müller, Reuben Archer Torry en Jonathan Edwards.

Toen eens aan Spurgeon werd gevraagd wat het geheim was van de grote zegen op zijn arbeid, werd de vragensteller meegenomen naar een ruimte onder het podium in de Tabernacle, de grote kerk waarin Spurgeon preekte. Tijdens elke samenkomst zat daar een groep mensen te bidden. En de Heere hoorde hen. Ik weet trouwens van gemeenten in ons land waar dit ook gebeurt. Ik zou alle gemeenten wel willen aansporen om dit voorbeeld te volgen.

Diezelfde Spurgeon leidde iedere maandagavond een bidstond, die bijna nooit minder dan duizend tot twaalfhonderd deelnemers telde.
Over predikers merkte hij eens op: ‘Een prediker onderscheidt zich vooral als een man van gebed. Wanneer u als prediker geen biddend mens bent, bent u te beklagen. Al onze bibliotheken en studeervertrekken zijn niets, vergeleken met de binnenkamers waar we bidden. Nooit staat de poort naar de hemel wijder open, nooit zijn onze harten dichter bij de heerlijkheid, dan wanneer we biddend in het heiligdom verschijnen.’

Iemand die eveneens veel zegen op het gebed ontving, was George Müller, de Duitse zendeling, die Gods roepstem volgde om naar Engeland te gaan.
Hij onderhield honderden weeskinderen en bouwde ook voorzieningen voor hen. Hij vroeg niemand om geld en hield nooit een collecte, maar toch had hij nooit gebrek.
Hij bad ruim 63 jaar voor de bekering van een vriend. ‘Ik heb nu 63 jaar en acht maanden voor hem gebeden en hij is nog niet bekeerd. Maar het zal zeker gebeuren.’ Müller was nog maar net gestorven, of zijn vriend kwam tot bekering, zelfs nog voor de begrafenis.

Wanneer George Müller een gebed op z’n hart had, zocht hij eerst de Bijbel erop na of er een belofte was voor dit gebedsverzoek. Soms las hij dagenlang in de Schrift, voordat hij ermee naar God ging.
Dan, als hij de belofte gevonden had, zoals dat de Here niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering zullen komen (2 Petrus 3:9), bad hij met een open Bijbel voor zich en zijn hand op de belofte, om bij God daarop te pleiten. Zo ontving hij wat hij vroeg.

De prediker Reuben Archer Torrey moest vijftien jaar voor de bekering van zijn oudste broer bidden voordat die tot bekering kwam.
In het boek ‘De macht van het gebed’ schrijft Torrey: ‘De machtige Godsmannen, die door de eeuwen heen grote dingen tot stand hebben gebracht, zijn de mensen die veel gezwoegd hebben in hun gebed. Neem bijvoorbeeld David Brainard, die lichamelijk zwakke, maar geestelijk machtige man Gods. Jarenlang leed hij aan tuberculose, waaraan hij ten slotte op jonge leeftijd is overleden. Brainard voelde zich door God geroepen om als pionier onder de indianen in Noord-Amerika te gaan werken. In de winternacht ging hij soms het bos in om te bidden. God verhoorde zijn gebeden en zond zo’n opwekking als nooit tevoren onder de Noord-Amerikaanse indianen.

Ook zijn schoonvader, Jonathan Edwards, wellicht één van de grootste denkers die Noord-Amerika ooit heeft voortgebracht, veranderde in een vurige evangelist. Hij preekte door de kracht van de Heilige Geest zo vurig over het thema ‘Zondaren in de handen van een toornige God’, dat de sterke mannen onder de toehoorders hun armen om de pilaren sloegen en tot God riepen om genade.
‘Hadden we maar meer mensen die konden bidden zoals David Brainard, dan zouden we meer predikers krijgen zoals Jonathan Edwards,’ aldus Torrey.

Torrey zou met broeder Alexander een maand op campagne naar Wales gaan. De aankondiging werd een jaar van tevoren gedaan en over heel Engeland, Schotland en Wales begonnen mensen te bidden om een opwekking.
Toen ze in Cardiff aankwamen, bemerkten ze dat er al een jaar lang elke morgen van zes tot zeven uur een gebedssamenkomst was in het voorstadje Penard. Eerst ging het werk moeizaam. Toen riepen ze een dag van vasten en gebed uit, die in heel Wales werd gehouden. Kort daarna breidde het opwekkingsvuur zich uit over heel Wales.

De kracht van het gebed zien we ook in de levens van vier eenvoudige Ieren, die elkaar beloofden om elke zaterdagavond samen te komen om te bidden om een opwekking. Ze bleven de gehele nacht in gebed. Nadat deze mannen enige tijd gebeden hadden, gingen ze de straat op en probeerden ze te preken, maar die poging mislukte en dus gingen ze door met bidden. En God hoorde hun gebeden.
Het werk van God kwam met zo’n geweldige kracht in Ierland, dat gerechtshoven gesloten werden omdat er geen zaken meer te behandelen waren. Vele beruchte en verharde zondaren kwamen tot bekering en werden totaal veranderd.

Gebed ging eveneens vooraf aan de grote opwekking in 1857 in Amerika. Een eenvoudige evangelist in New York, Landfear, was erg bedroefd over de staat waarin de kerk verkeerde. Hij begon met twee gelijkgezinde mannen te bidden om een opwekking.
Ze startten met lunchtijd-gebedssamenkomsten. Al snel groeide de belangstelling en kwamen er grote drommen mensen naar de samenkomsten. Overal in de stad kwamen mensen samen om te bidden. Het vuur breidde zich uit over het hele land.

Een van de meest opmerkelijke mannen in de geschiedenis van Schotland was Johan Welch. Hij was het die bad: ‘Geef me Schotland of ik sterf.’ Hij beschouwde een dag als verloren als hij niet zo’n zeven tot acht uur had doorgebracht in stil gebed.

Ik hoop en bid dat het voorgaande ons zal aansporen tot gebed, alleen en met elkaar. Als de Heere Jezus regelmatig nachten doorbracht in gebed, zouden wij dan met minder toe kunnen? Nee toch?
Waarschijnlijk zullen velen van ons schrikken als ze zich eens zouden realiseren hoe weinig ze bidden. Wat leven we geestelijk toch vaak karig, terwijl de Heere ons zoveel aanbiedt. ‘U krijgt niet omdat u niet bidt’, lezen we in Jakobus 4:2.

Ter afsluiting enkele teksten over het gebed.
‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.
En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.
Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen’ (Johannes 14:12-14).

‘Geliefden! Als ons hart ons niet veroordeelt, hebben wij vrijmoedigheid om tot God te gaan;
en wat wij ook maar bidden, ontvangen wij van Hem, omdat wij Zijn geboden in acht nemen en doen wat Hem welgevallig is’ (1 Johannes 3:21 en 22).

‘En dit is de vrijmoedigheid die wij hebben in het toegaan tot God, dat Hij ons verhoort, telkens als wij iets bidden naar Zijn wil.
En als wij weten dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, dan weten wij dat wij het gevraagde, dat wij van Hem hebben gebeden, ontvangen’ (1 Johannes 5:14 en 15).

Dirk van Genderen