Een vaste burcht is onze God

Vijfhonderd jaar geleden ging er een schokgolf door de (geestelijke) wereld, teweeg gebracht door zijn 95 stellingen tegen de aflaat die Maarten Luther wereldkundig maakte aan de Slotkapel van Wittenberg. De start van de Reformatie. Daarom is 2017 een jaar van vieren en gedenken, maar ook een jaar van verlangen naar een nieuw geestelijk herleven, een opwekking.

Luther heeft in totaal 37 liederen geschreven, waarvan ‘Een vaste burcht is onze God’ wel het bekendst is. Dit lied, gebaseerd op Psalm 46, is het Lutherlied bij uitstek, dat vaak wordt gezongen op of rond 31 oktober.
De bekendste versie van de vertaling uit het Duits in het Nederlands is van Jan Jacob Lodewijk ten Cate, hoewel het niet de beste vertaling is van het lied dat Luther schreef in 1533.

1. Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht voor de Zijnen!
Al drukt het leed, al dreigt het lot,
Hij doet zijn hulp verschijnen!
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog,
maar zal als kaf verdwijnen!

2. Geen aardse macht begeren wij,
die gaat welras verloren.
Ons staat de sterke Held ter zij,
dien God ons heeft verkoren.
Vraagt gij zijn naam? Zo weet,
dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar van de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

3. En grimd’ ook d’open hel ons aan
met al haar duizendtallen,
toch zal geen vrees ons nederslaan,
toch doen wij `t krijgslied schallen.
Hoe ook de satan woedt,
wij staan hem voet voor voet,
wij tarten zijn geweld;
zijn vonnis is geveld:
één woord reeds doet hem vallen!

4. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
en zal geen duimbreed wijken.
Beef, satan! Hij, die ons geleidt,
zal u de vaan doen strijken!
Delf vrouw en kind’ren `t graf,
neem goed en bloed ons af,
het brengt u geen gewin:
wij gaan ten hemel in
en erven koninkrijken!

Lied 97
In de Hervormde Bundel van 1938 staat een vertaling van het lied van Maarten Luther, dat dichter bij de oorspronkelijke tekst blijft. Het is lied 97. Het is mij niet bekend wie dit vertaald heeft.

1. Een vaste burcht is onze God,
een toevlucht en een toren.
Zijn macht bevrijdt van ‘t bange lot,
dat ons nu is beschoren.
De vijand rukt vast aan
met opgestoken vaan;
hij draagt zijn rusting nog
van gruwel en bedrog:
nooit zag men zijns gelijke.

2. Met onze macht is ‘t niets gedaan:
wij zijn alras verloren.
Maar d’ een’ge, die ons bij kan staan,
God heeft Hem ons verkoren.
Vraagt gij zijn naam, zo weet,
dat Hij de Christus heet.
Der legerscharen Heer
is onze tegenweer;
Hem blijft in ‘t eind de zege.

3. Al trekken op van alle kant
de helse legerscharen,
wij vrezen niet! De Heer houdt stand,
Hij zal zijn volk bewaren.
Hoe ook de vijand woedt,
wij staan hem voet voor voet,
wij tarten zijn geweld;
zijn vonnis is geveld:
een woord en hij moet wijken.

4. Het woord, dat zult gij laten staan,
en niets daarbij verzinnen.
De Heer gaat in de strijd vooraan:
zijn Geest doet overwinnen.
Al rooft g’ ons al ons goed,
vrouw, kind, en eer en bloed,
ontneem ‘t ons alles vrij!
Gij wint er toch niets bij:
het Rijk blijft ons behouden!

Krachtig belijdt Luther in zijn lied Zijn vertrouwen op God, zijn Burcht en Zijn toevlucht, in een tijd van strijd en vervolging. Hij weet dat een sterke Held, Christus, hem terzijde staat. Hij hoeft niet te vrezen, voor wie dan ook. De Heere zal Zijn volk – ook hem – bewaren.

Duitse tekst
Voor degenen die Duits kennen, geef ik u ook de Duitse tekst van Luther, uit 1533.

1. Ein feste Burg ist unser Gott,
ein gute Wehr und Waffen.
Er hilft uns frei aus aller Not,
die uns jetzt hat betroffen.
Der alt böse Feind
mit Ernst er’s jetzt meint,
groß Macht und viel List
sein grausam Rüstung ist,
auf Erd ist nicht seinsgleichen.

2. Mit unsrer Macht ist nichts getan,
wir sind gar bald verloren;
es streit’ für uns der rechte Mann,
den Gott hat selbst erkoren.
Fragst du, wer der ist?
Er heißt Jesus Christ,
der Herr Zebaoth,
und ist kein andrer Gott,
das Feld muss er behalten.

3. Und wenn die Welt voll Teufel wär
und wollt uns gar verschlingen,
so fürchten wir uns nicht so sehr,
es soll uns doch gelingen.
Der Fürst dieser Welt,
wie sau’r er sich stellt,
tut er uns doch nicht;
das macht, er ist gericht’:
ein Wörtlein kann ihn fällen.

4. Das Wort sie sollen lassen stahn
und kein’ Dank dazu haben;
er ist bei uns wohl auf dem Plan
mit seinem Geist und Gaben.
Nehmen sie den Leib,
Gut, Ehr, Kind und Weib:
lass fahren dahin,
sie haben’s kein’ Gewinn,
das Reich muss uns doch bleiben.

Psalm 46
Tenslotte nog Psalm 46, de Psalm waarmee de Heere Luther zo bemoedigde en die de inspiratiebron was voor zijn lied.

1. Een lied op Alamoth, voor de koorleider, van de zonen van Korach.
2. God is ons een toevlucht en vesting;
Hij is in hoge mate een hulp gebleken in benauwdheden.
3. Daarom zullen wij niet bevreesd zijn, al veranderde de aarde van plaats
en werden de bergen verzet naar het hart van de zeeën.
4. Laat haar water bruisen, laat het schuimen,
laat de bergen beven door haar onstuimigheid.

5. De beekjes van de rivier verblijden de stad van God,
het heiligdom, de woningen van de Allerhoogste.
6. God is in haar midden, zij zal niet wankelen;
God zal haar helpen bij het aanbreken van de morgen.
7. De heidenvolken tierden, de koninkrijken wankelden;
Hij liet Zijn stem klinken: de aarde smolt weg.

8. De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting.

9. Kom, zie de daden van de HEERE,
Die verwoestingen op de aarde aanricht;
10. Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde van de aarde,
de boog breekt en de speer in stukken slaat,
de wagens met vuur verbrandt.
11. Geef het op en weet dat Ik God ben;
Ik zal geroemd worden onder de hedenvolken,
Ik zal geroemd worden op de aarde.

12. De HEERE van de legermachten is met ons;
de God van Jakob is voor ons een veilige vesting.

Deze psalm mag ook ons troosten en bemoedigen. In een tijd waarin veel onzeker is, mogen we het met de dichter belijden: ‘God is ons een toevlucht en vesting. De HEERE van de legermachten is met ons; de God van Jakob is voor ons een veilige vesting.’

Dirk van Genderen