Gelet op de soms aangrijpende reacties die ik ontving op het bericht in de Nieuwsbrief van vorige week over de ‘zwaarte’ van het predikantschap, plaats ik dit bericht nu in een meer uitgebreide versie als commentaar. Het vorige artikel stond ook helemaal aan het einde van de Nieuwsbrief, waardoor wellicht niet iedereen het gezien heeft.
De afgelopen jaren heb ik diverse keren predikanten en voorgangers gesproken die mij vertelden hoe zwaar het soms is om predikant, om voorganger te zijn. Er komt zoveel op hen af. De gemeente is mondiger geworden, de één wil dit, een ander dat, voor de één ben je te licht, voor een ander te zwaar, je bent te behoudend of te vooruitstrevend.
Glazen huis
Je zit als predikant – en als je getrouwd bent en kinderen hebt: als predikantsgezin – in een glazen huis. Zeker als de predikantswoning/pastorie naast de kerk staat, dan ben je voor iedereen zichtbaar. Gemeenteleden houden je in de gaten. En er wordt soms over je gepraat, ook over je vrouw en over je kinderen. Vooral als je je niet helemaal gedraagt zoals wordt verwacht.
Zeker als een predikant langer in een gemeente staat, bestaat het gevaar dat men op elkaar uitgekeken raakt. De preken worden voorspelbaar, er ontstaan irritaties en een predikant kan het gevoel krijgen dat hij niet langer gewenst is.
Als je dan geen beroep krijgt van een andere gemeente, kan het heel vervelend worden. En telkens opnieuw zijn er predikanten, voorgangers die het niet langer aan kunnen, die een burn-out krijgen, die overspannen raken, die weg willen, maar niet kunnen.
Schaamte
Een predikant schaamt zich hier vaak voor. Hij is toch de geestelijke leider van de gemeente. Hij moet hulp bieden aan mensen in nood. Er moet heel wat gebeuren wil een voorganger erkennen dat hij een probleem heeft en hulp nodig heeft.
Van Elia lezen we in Jakobus 5 dat hij een mens was zoals de andere mensen. Nadat hij op de Karmel letterlijk vuur naar beneden had gebeden en in Gods kracht een grote overwinning over de Baälpriesters had behaald, stortte hij totaal in en bad hij God om te mogen sterven (1 Koningen 19:4). Maar de Heere had nog werk voor hem. Hij stuurde een engel die koeken voor Elia bakte en hem water te drinken gaf. Hij kreeg de tijd om uit te rusten en weer op krachten te komen.
Laten we niet uit het oog verliezen dat voorgangers in de geestelijke frontlinie staan. De machten van de hel zullen zich op hen concentreren om hen aan te vallen en te laten struikelen. Juist daarom ook hebben ze een muur van bidders om zich heen nodig.
Op tijd hulp inschakelen
De onderlinge verhoudingen tussen een predikant en zijn gemeente/kerkenraad kunnen zo verziekt zijn, dat er geen andere weg meer is dan afscheid van elkaar te nemen. Daarom is het belangrijk om het niet zover te laten komen en op tijd actie te ondernemen en hulp in te schakelen, bijvoorbeeld van een gelovige mediator. Het ergste is wanneer er niet met elkaar wordt gepraat, terwijl je de spanning voelt en nauwelijks of helemaal niet weet wat het probleem is.
Ik weet van een predikant die eerst op non-actief werd gesteld en toen werd losgemaakt van zijn gemeente, terwijl hij zelf niet weet waarom. Zoiets mag nooit gebeuren, zeker niet in de gemeente van de Heere Jezus.
Te hoge verwachtingen
Vaak wordt ook wel heel veel van de predikant verwacht. Hij moet alles doen, terwijl hij misschien niet alles kan. Kerkenraden, oudstenraden zouden hier veel meer rekening mee kunnen houden. Wellicht is er in de kerkenraad wel iemand die meer geschikt is om de vergaderingen te leiden of om mee catechisaties te geven, om enkele dingen te noemen. Dat kan al een hele verlichting betekenen.
Het is belangrijk dat de kerkenraad/oudstenraad de predikant/voorganger beschermt tegen overbelasting. Er moet genoeg tijd overblijven voor het gebed en de bediening van het Woord (Handelingen 6:4). Besef dat zij – als het goed is – waken over uw zielen (Hebreeën 13:17).
Er wordt veel gesproken over voorgangers en predikanten. Zijn preken worden gewogen en soms te licht bevonden. Er wordt ook geroddeld, achter zijn rug om. Dat merkt de predikant, dat voelt zijn vrouw, dat ervaren zijn kinderen, als hij die heeft. Laten we daar nooit aan meedoen.
Na een kerkdienst liepen twee mensen de kerk uit. De ene zei: ‘Wat hadden we vanochtend toch een geweldige predikant.’ De ander reageerde: ‘Wat is ons vanochtend een geweldige Heiland verkondigd.’ Kijk, daar gaat het toch om! Zijn we gericht op de predikant, lopen we hem misschien achterna, of gaat het ons om de Heere Jezus?
Respect
Paulus vraagt aan de gemeente van Thessalonica om hen te erkennen die onder hen arbeiden, die hun leiding geven in de Heere en die hen – als het nodig is – terechtwijzen.
‘…en hen uitermate hoog te achten in liefde, om hun werk’ (1 Thessalonicenzen 5:12 en 13).
Dit is een oproep om hen te respecteren, hoog te achten. Helaas hebben te vaak voorgangers die niet goed functioneerden zulke teksten misbruikt om gemeenteleden met kritiek het zwijgen op te leggen, wat zeker niet de bedoeling van deze teksten is.
Gebed
Er is gelukkig ook een andere kant. Veel voorgangers en predikanten doen hun werk met vreugde en zijn dankbaar voor Gods zegen die ze mogen ervaren. Dat is genade van de Heere. Ze ervaren dat ze op de plaats zijn waar de Heere hen geroepen heeft. Dat geeft houvast als er ook moeilijke momenten zijn. Ook zij hebben onze steun en onze gebeden voortdurend nodig.
Laten we meer voor onze predikanten en voorgangers bidden dan dat we negatief over hen praten. Bid ze vol van Gods genade, van Zijn liefde, Zijn bewogenheid. Zegen hen, dan zal hun bediening ook voor u tot zegen zijn.
Dirk van Genderen