Wat zijn christenen vaak gericht op de wereld. Terwijl de Bijbel zegt dat wij hemelburgers zijn. De Heere Jezus mag – eerbiedig gezegd – blij zijn als Hij ook nog een beetje aandacht van ons krijgt. En vaak zijn dat niet de ‘beste uurtjes’ van de dag. Helaas.
Dit vindt u misschien erg zwart-wit gesteld, maar toch is het – vermoed ik – vaak wel zo. En als het bij u anders is, wees dankbaar en houd dat vast. Toch is het wellicht een idee om het een paar weken bij te houden. Het kan best zo zijn dat we dan schrikken van de werkelijkheid.
Door zo ‘karig’ met de Heere te leven, doen we Hem en onszelf enorm tekort. Zo nadrukkelijk belooft Hij ons Zijn zegen en Zijn vrede wanneer ons leven op Hem gericht is.
Overduidelijk komt dit bijvoorbeeld tot uiting in Psalm 37:4 – ‘Schep vreugde in de HEERE, dan zal Hij u geven wat uw hart verlangt.’
Hoe komt het toch dat veel christenen op zo’n afstand van de Heere Jezus leven en zo weinig de intimiteit met Hem kennen? Kan dat iets te maken hebben met het feit dat we het om wat voor redenen dan ook, niet durven om tot Hem te naderen?
Iets wat we ook lezen wanneer het volk Israel bij de Sinaï staat, vlak voordat God Zich zal openbaren. Ze zijn zo bang, dat ze eigenlijk wel weg zouden willen rennen.
We lezen in Exodus 20:18 en 19 – ‘En heel het volk was getuige van de donderslagen, de bliksems, het bazuingeschal en de rokende berg. Toen het volk dit zag, sidderden zij en bleven op een afstand staan.
Zij zeiden tegen Mozes: Spreekt u met ons, dan zullen wij luisteren, maar laat God niet met ons spreken, anders sterven wij.’
Het volk blijft op ‘veilige’ afstand van God, maar Mozes krijgt er geen genoeg van om telkens weer de berg op te gaan, om bij de Heere te zijn.
Ik denk dat hier de diepste oorzaak ligt van het ongeloof, de ongehoorzaamheid, die telkens weer zichtbaar wordt in de geschiedenis van het Joodse volk. Ze blijven op afstand, ten diepste zijn ze bang voor God. Terwijl Hij juist gemeenschap met hen wil, zoals zo prachtig zichtbaar wordt in het leven van Mozes.
Mozes is gegrepen door God Zelf en wil steeds dichter bij Hem komen. Hij klimt de berg op, zoekt het aangezicht van de Heere en vraagt om Zijn heerlijkheid te mogen zien. Ik hoop en bid dat dit ook uw verlangen is.
Juist op de berg wil de Heere Jezus Zijn heerlijkheid openbaren. Dat wordt in het Nieuwe Testament zichtbaar in de verheerlijking op de berg. De drie discipelen die daarbij aanwezig zijn, zien dat ‘…terwijl Hij bad, de aanblik van Zijn gezicht veranderd werd en dat Zijn kleding blinkend wit werd’ (Lukas 9:29).
Wie iets van Hem gezien, ervaren en geproefd heeft, wil meer van Hem zien. Het is tekenend dat veel mensen die zich vandaag christen noemen, de Bijbel niet (meer) kennen, of maar een heel klein beetje. Dat is zo jammer, want juist in de Bijbel zien we de Heere Jezus. ‘Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond…’ (Hebreeën 2:9).
Wie geen tijd investeert in Hem, moet het niet vreemd vinden om weinig van de Heere te ervaren. En wie weinig van Hem ervaart, zal automatisch minder op Hem en meer op de wereld gericht raken.
Toch proef ik bij mezelf en om me heen wel een verlangen om de Heere Jezus beter te leren kennen. Koester dat verlangen, houd aan. ‘Als u nu met Christus opgewekt bent, zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, Die aan de rechterhand van God zit. Bedenk de dingen die boven zijn en niet die op de aarde zijn, want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God’ (Kolossenzen 4:1-3).
De Heere zoekt mensen die tot Hem komen, die maar één verlangen hebben: Hem te kennen, Zijn aangezicht te zien. Met Hem te leven, met Hem te wandelen.
Maar besef: Alleen degenen die gestorven zijn, kunnen God zien. ‘Geen mens zal Mij zien en in leven blijven,’ krijgt Mozes te horen in Exodus 33:20).
Ons eigen ik moet sterven. Paulus getuigt het in Galaten 2:20 zo – ‘Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.’
Romeinen 12:1 roept ons op niet alleen ons hart, zoals vaak wordt gezegd, maar ons hele lichaam aan God te wijden, als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk.
Het volk Israel werd bij de Sinaï door de Heere opgeroepen tot Hem te naderen, maar ze durfden niet. Wij worden aangespoord ons lichaam op het altaar te leggen. Misschien vinden we dat wel net zo eng, maar het is dé sleutel om het heiligdom binnen te gaan.
De Israëlieten waren bang voor de donkerheid, de duisternis en het vuur om, op en bij de berg Sinaï. Gods vuur, waar we soms om bidden of van zingen, zal ook komen als ons lichaam als een offer op Gods altaar ligt. Christenen zijn als ter dood veroordeelden. Met Hem gekruisigd.
Lees de woorden van de Heere Jezus, in Lukas 9:23 en 24.
‘Hij zei tegen allen: als iemand achter Mij wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis dagelijks opnemen en Mij volgen.
Want wie zijn leven wil behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven verliezen zal omwille van Mij, die zal het behouden.’
Een altaar is geen plaats van zegen, maar van dood. Wie zijn leven aan de Heere offert – ‘Heere, hier is mijn leven, mijn lichaam, het is voor U, voor U alleen’- en de dood aanvaardt, zal leven en de Heere Jezus zien. Dat is het wonderlijke. Dan gaat het ons niet meer om Zijn zegen, maar om Hem. Dan raakt de hemel de aarde en mag het worden: ‘Veel hemel – weinig wereld’.
Dirk van Genderen