‘Heere, laat door deze covid-19 pandemie heen Uw grote werken zichtbaar worden’

‘Zie op de Heere Jezus. Alleen Hij kan ons redden.’ Het is alsof ik deze woorden telkens opnieuw hoor en uitspreek. Het is hetzelfde overtuiging die ik enkele jaren geleden had, in de periode van grote droogte, toen we spontaan op een weiland in de Betuwe, in de open lucht, een gebeds- en verootmoedigingssamenkomst hadden. Met lezers van de Nieuwsbrief uit het hele land. In verootmoediging. En de Heere was daar! We riepen het als het ware uit: ‘Heere, Uw Naam zij geprezen. Hoor, Heere, vergeef, Heere, wees ons genadig.’ En Hij was ons genadig. Hij gaf regen en zegen.

Maar hoe geef je zoiets vorm in deze tijd? Bij elkaar komen, kan niet. Iemand opperde het idee op een groot weiland samen te komen, en dan onderling ruime afstand van elkaar te houden. Wie weet, is dit op termijn wel mogelijk, maar nu nog even niet. We moeten geen aanleiding geven tot kritiek op ons, dat zou averechts werken. En zolang dit nog niet kan, laten we dan ieder persoonlijk tot de Heere naderen en ons voor Hem verootmoedigen.

De tijden zijn ernstig. Een wereldwijde coronacrisis. Nieuwe droogte in ons eigen land. Sprinkhanen in Oost-Afrika en delen van Azië.
Is dit uniek in de wereldgeschiedenis? Nou, nee. In de geschiedenis zijn er veel ernstiger rampen geweest, waardoor de aarde werd geteisterd.

Ik ben op zoek gegaan naar hoe christenen, gelovigen in het verleden reageerden op rampen en besmettelijke ziekten. Wat opvalt, dat zie je ook al in de Bijbel, dat men daar vaker Gods hand in zag. Men vroeg zich af wat de Heere ermee wilde zeggen.
Dat zijn wij helaas kwijtgeraakt. We kunnen vrijwel alles verklaren en hebben kennis over virussen, bacteriën, ziekten en oorzaken van natuurrampen.

Toch ben ik ervan overtuigd dat het juist zegenrijk kan zijn om God niet weg te verklaren, maar juist ook opmerkzaam te zijn op Zijn stem, Zijn handelen in dit alles.
Deze week ontmoette ik iemand uit een ‘begeleide woonvorm’. De genomen maatregelen zijn voor hem heel ingrijpend. Weet u wat hij mij vertelde? ‘Ik vraag mij heel erg af wat de Heere hiermee zegt en ik besef veel meer dat ik in alles van Hem afhankelijk ben. Ik lees nu vaker in de Bijbel en ik bid ook meer. De Heere is goed voor mij.’ Dat was mooi om hem dat te horen vertellen.

Wanneer gelovigen in het verleden met tegenslagen te maken hadden, bracht dat hen soms tot verootmoediging, met grote gevolgen.
Ik denk aan ‘De vergeten opwekking’ in East-Anglia en in Noordoost-Schotland in 1921. God gebruikte daarvoor Douglas Brown (1874 tot 1940), die Hij aanraakte door Zijn Geest. Het was aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Er volgde geen nationale verootmoediging, in Nederland niet, maar ook niet in Engeland. Broeder L.J. van Valen, die veel onderzoek heeft gedaan naar opwekkingen in het verleden, schrijft: ‘De straffende hand van God werd gevoeld door de pandemie van de Spaanse Griep. Maar de bevolking en ook de kerk bleven onbewogen.’

De Heere gebruikte echter deze zware tijden om Zijn barmhartigheid te tonen in verschillende Engelse en Schotse vissersplaatsen. De Heere werkte krachtig door de predikant Douglas Brown heen, zoon van Archibald G. Brown, die met Spurgeon bevriend was, tot bekering van velen. Dit gebeurde echter pas nadat hijzelf door de Heere werd verbroken van hart en tot verootmoediging kwam.

Op mijn zoektocht in het verleden stuitte ik op de cholera-epidemie in ons land in 1848/1849. N. Bakker, evangelist bij de Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Waarheid, schreef hierover, in de taal van toen:

‘Het was voornamelijk in het jaar 1849, dat het de Heere behaagde deze vreselijke roede voor velen dienstbaar te maken tot zaligheid. Hierdoor werden zij als door de schrik des Heeren bewogen tot het geloof in Christus Jezus de Heere, en leerden acht te geven op die grote zaligheid die in Hem geopenbaard is, opdat zij zodoende de toekomende toorn zouden ontvlieden. (…) Het was dan in die dagen van grote benauwdheid des geestes, welke wij met onze ogen hebben gezien en met onze oren hebben gehoord, maar niet minder in onze beenderen hebben ervaren dat de genaderijke God een groot werk Zijns Geestes in ons land alom deed openbaar worden.’

Eén van de plaatsen waar de Heere krachtig werkte, was op het eiland Voorne Putten, in het dorp Zuidland. Dagelijks kwamen daar zondaren tot geloof in de Heere Jezus. De landarbeiders spraken onderweg naar hun werk over wat de Heere aan hun ziel had gedaan. Bij de maaltijden op het land werd gebeden, uit Gods Woord gelezen en gezongen.’
Door de epidemie werden ook dagelijks ‘van de toegebrachten weggeraapt uit het land der levenden. Na een korte tijd van strijd waren zij rijp voor de hemel. (…) Vele stervenden zagen de dood met vreugde tegemoet, verlangende ontbonden te wezen en met Christus te zijn, hetwelk hun verre het beste was.’

In 1866/1867 woedde de cholera-epidemie opnieuw. Nu werkte de Heere krachtig in het dorp Nieuw-Beijerland in de Hoeksche Waard. Er was in dit dorp sprake van grote onverschilligheid. De predikant van de Hervormde gemeente trok openlijk de Bijbel op diverse punten in twijfel. Hij preekte de kerk leeg.
Het was in die tijd dat er predikers waren zonder officiële opleiding. Zij werden oefenaars genoemd. Eén van hen, D. Bakker, had al in 1863 Gods oordelen over het dorp aangekondigd, vanwege de zondige levensstijl van veel dorpelingen. Toen de cholera in 1866 uitbrak, kwam D. Bakker, die inmiddels dominee was, naar Nieuw-Beijerland om ‘het volk des Heere te midden der bezoekingen te vertroosten en den volke te verkondigen hoe men de straffen zou kunnen ontgaan en tot genade mogen komen.’

Iedere avond preekte hij in een vlasschuur op de hoek van de Middelstraat en het Marktveld. De Heere zond Zijn Geest. In het dorp voltrok zich een grote verandering, die leek op een ‘Ninevitische bekering’.
Helaas waren er ook velen bij wie het beslag van Gods Woord verdween toen de epidemie voorbij was. Maar door de epidemie zijn er ook velen werkelijk gered voor de eeuwigheid. De geschiedenis toont aan dat deze zegen doorwerkte in de nageslachten van degenen die tot geloof in de Heere Jezus waren gekomen.

Toen ik dit alles las, raakte de Heere mijn hart aan. En ik bad: ‘Heere, stort de Geest van de genade en de gebeden maar over ons uit. Leidt U ons tot verootmoediging, verbreek ons maar, zodat we niets meer van onszelf verwachten, maar alles van U. Alleen U kunt ons redden.
Heere, laat U dwars door deze covid-19-pandemie heen Uw grote werken zichtbaar worden. Dat velen tot geloof in de Heere Jezus zullen kome.’

Dirk van Genderen