Schuld belijden aan God en aan het Joodse volk

Sinds enkele weken ervaar ik een zware last. Een last tegenover het Joodse volk. Een last om een schuld uit het verleden in de openbaarheid te brengen, schuld te belijden tegenover het Joodse volk en tegenover de Heere. Om wat wij, ook als christenen en als kerken, het Joodse volk hebben aangedaan, met name in de Tweede Wereldoorlog.

We hebben er kortgeleden bij de Dodenherdenking nog bij stilgestaan, en ik ben dankbaar voor de woorden die onze koning sprak en de woorden die premier Rutte hier eerder al over sprak.
U reageert mogelijk: ‘Daar heb ik niets mee te maken en we hoeven toch geen schuld te belijden voor wat anderen hebben gedaan?’ Dat is nog maar de vraag. We maken immers deel uit van ons volk.

We hebben het wel laten gebeuren dat ruim 100.000 Joodse medelanders zijn afgevoerd naar de vernietigingskampen. Van hen zijn er 102.000 vermoord. Eerst werden ze buitengesloten uit het dagelijkse leven, gediscrimineerd, opgepakt, gedeporteerd onder mensonwaardige omstandigheden, behandeld als minderwaardig, minder dan beesten, gemarteld, vergast, vermoord. Alleen omdat het Joden waren. Slechts enkele duizenden van hen keerden terug, die ook nog eens niet met open armen werden ontvangen.

En zeker, er zijn in de Tweede Wereldoorlog duizenden landgenoten geweest die zich voor hen hebben ingezet, vaak met gevaar voor eigen leven, onder wie ook veel christenen. Toch was hun aantal niet echt groot, helaas. Velen lieten het gebeuren, ook christenen, vonden het wellicht wel erg, maar kwamen niet massaal in actie om de deportatie van de Joden te stoppen, desnoods met gevaar voor eigen leven.

Kan het zijn dat hierdoor nog een schuld, mogelijk zelfs een bloedschuld over ons land ligt en over heel Europa?  Ik meen van wel. Wat zichtbaar wordt in de geestelijke ontwikkelingen…We maken ons druk om de klimaatverandering… Maar veel ernstiger is de geestelijke klimaatverandering die gaande is…
Kerken die leeglopen, mensen die het christelijke geloof vaarwel zeggen… Harde grond om het Evangelie te brengen… Afkeer bij velen tegen alles wat met het christelijke geloof te maken heeft…

Wij kennen de eerste zin uit Genesis 12:3 wellicht uit ons hoofd: ‘Ik zal zegenen wie u (nakomelingen van Abraham, het Joodse volk) zegenen…’
Maar de woorden die erop volgen, zijn net zo waar: ‘…en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken.’

Dat zijn zeer ernstige woorden… Zeker als we ons realiseren hoe ons volk heeft gehandeld in de Tweede Wereldoorlog… En hoe ons land zich opstelt in de VN en vaak tegen Israel stemt…

Al eens eerder heb ik gewezen op 2 Samuel 21. David is koning over Israel, maar er is een groot probleem. Er is al drie jaar hongersnood, er valt geen regen meer… David beseft dat Gods hand hierin is…

Even tussendoor: De grote droogte in ons land duurt onverminderd voort. Al enkele jaren, en het ziet er niet naar uit dat er spoedig nieuwe regen komt. Ik meen dat de Heere hierdoor ook tot ons spreekt… Maar zijn onze oren hier wel open voor? Als ik goed luister, hoor ik een oproep tot verootmoediging, een oproep tot schuldbelijdenis, een oproep tot bekering.

Wat doet David in deze noodsituatie? Hij zoekt het aangezicht van de Heere. Zijn antwoord is duidelijk. De hongersnood is een gevolg vanwege Saul en zijn huis, dat beladen is met bloed, bloedschuld. David had kunnen aanvoeren dat hij daar niets mee te maken had, dat had hij immers niet gedaan, maar hij neemt Gods woorden serieus.

Saul heeft iets gedaan, waardoor er een oordeel van God over het land is gekomen. Hij had de Gibeonieten gedood. Daarmee verbrak hij de eed die Jozua ooit aan de Gibeonieten had gedaan, om hen niet te doden. De Heere tilt zwaar aan de moord op mensen die niet gedood mochten worden.

David nodigt de Gibeonieten uit en vraagt wat hij moet doen om tot verzoening te komen, opdat God de schuld kan wegnemen. De Gibeonieten vragen aan David zeven zonen van de nakomelingen van Saul om hen te doden. Aldus gebeurt. David geeft twee zonen en vijf kleinzonen van Saul aan de Gibeonieten. Deze zeven worden gedood door de Gibeonieten en zo komt er een einde aan de bloedschuld over het land.

Wij zouden dat wreed vinden, maar luister naar Numeri 35:33, woorden van de Heere.
‘U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening worden gedaan over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.’

Vers 14 van 2 Samuel 21 zegt treffend: ‘En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.’ David zal gebeden hebben, intens gebeden, schuld beleden… En Heere gaf weer regen, gaf Zijn zegen.

Ik voel me gedrongen om evenals David, onze zonden te belijden. Om weer rein voor de Heere te kunnen staan. We kunnen niet langer zonder Hem, zonder Zijn genade, Zijn zegen.

Is dat dan nog niet voldoende gebeurt, reageert u misschien. En inderdaad, onze koning en onze premier hebben hier al goede woorden over gezegd. En beschaamd moet ik erkennen dat, hoewel wij vanuit de Bijbel het belang weten van schuldbelijdenis, verootmoediging en vergeving, het ‘de wereld’ is die ons het goede voorbeeld geeft.

Nu de kerken nog. En hoewel individuele kerken, christenen en organisaties al eerder zulke stappen hebben gezet naar het Joodse volk toe, pleit ik ervoor dat dit op veel bredere schaal alsnog gebeurt, in de Knesset, het Israëlische parlement, om voor eens en voor altijd het in orde te maken met het Israel, het Joodse volk en de Heere. Maar dit moeten we ook in Nederland doen, zodat we namens ons hele volk, in het openbaar, onze schuld belijden en de Heere en het Joodse volk om vergeving vragen.

We roepen het uit: Heere, scheur de hemel boven ons land, boven onze steden en dorpen. Met de profeet Jesaja, hoofdstuk 64:1. ‘Och, dat U de hemel zou openscheuren, dat U zou neerdalen…’
‘Stort Heere, de Geest van de genade en de gebeden over ons uit.’ Zo’n verootmoediging kunnen we zelf niet organiseren, maar werkt U het in onze harten.

Het is tijd! Nederland. Met Handelingen 3:19 roep ik het u toe: ‘Kom tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere.’

Deze woorden sprak Petrus tot Israel. Deze woorden spreekt de Heere tot ons.
Is er toekomst voor Nederland? Jazeker, als we tot inkeer komen, onze schuld belijden en ons bekeren.

Denk aan een woord van God in 2 Kronieken 7:14.
‘…en Mijn volk, waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in ootmoed buigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zij zich bekeren van hun slechte wegen, dan zal Ik vanuit de hemel horen, hun zonden vergeven en hun land genezen.’

Laten we breken met onze zonden en onze zonden aan de Heere belijden… Er hoeft vandaag geen bloed meer te vloeien om verzoening tot stand te brengen, zoals David nog wel moest toestaan.
De Heere Jezus heeft Zijn leven gegeven, Zijn kostbare bloed gestort, voor onze zonden, aan het kruis van Golgotha.. Hij heeft het oordeel, de vloek die voor ons bestemd was op Zich genomen. En verzoening, verlossing, gerechtigheid tot stand gebracht.

U zegt misschien nog wel een keer: ‘Wat heb ik ermee te maken? Ik heb geen Joodse mensen af laten voeren naar de vernietigingskampen.’
Het is ook niet zo dat er hierdoor een schuld op u persoonlijk rust, dat lees ik ook niet in de Bijbel. Maar ik ben er wel van overtuigd dat God erop let hoe de volken Zijn volk, het Joodse volk, Zijn oogappel, behandelen (Zacharia 2:8).

We worden opgeroepen tot verootmoediging voor de Heere.
Om onze schuld te belijden…
Ons te bekeren…
Dan zal de Heere onze zonden uitwissen…
En wil Hij nog tijden van verkwikking geven…
Zijn zegen…

‘Heere, vergeef ons het vergieten van onschuldig bloed…
Vergeef ons dat wij meer dan 100.000 Joodse medeburgers hebben laten afvoeren naar de vernietigingskampen…

We belijden onze schuld.
Schaamte staat op ons gezicht.
Heere, herstel ons land, vernieuw ons…
Doe Uw aangezicht weer over ons lichten.

Heere, schenk een herleving, kom in ons midden.
Heere, vergeef, was ons schoon met Uw reinigend bloed…’
Onze hoop is gevestigd op U alleen.’

Dirk van Genderen