Als in de dagen van Elia…

Terwijl het volk Israel onderweg is naar de geestelijke ondergang, is daar opeens de profeet Elia. In Gods kracht staat hij op de berg Karmel, onverschrokken tegenover honderden Baälprofeten. Hij schaamt zich niet voor zijn God, hoewel het hem zijn leven kan kosten. Onze tijd is als de tijd van Elia. Waar zijn nu de Elia’s?

Ook in ons land zijn er honderden, duizenden Baälprofeten. De meesten vereren ze niet letterlijk Baäl, maar wel tal van andere afgoden. En zoals de Heere God bewogen was met het geestelijke heil van Israel, zo is Hij ook bewogen met ons geestelijke heil. Ja, ook nu, anno 2021.
Hij wil niet dat ons volk verloren gaat, nee niemand. Hij wil dat allen tot bekering komen.

Is er ergens een Elia, zoals ooit destijds in 1 Koningen 18, die het volk voor de keuze stelt? Ja, in deze crisistijd, misschien wel speciaal in deze crisistijd.
In Elia’s tijd was het ook crisis. Toen geen corona, maar wel 3,5 jaar lang droogte, zonder één spat regen.

Confrontatie tussen God en de afgoden
Daar staat Elia, op de berg Karmel. Tegenover 450 profeten van de Baäl. Een confrontatie tussen God en de afgoden. Elia twijfelt geen moment. Hij staat daar in de Naam van de Heere van de legermachten, de God van Israel. Het volk kijkt toe. Kiest niet. Wacht af. Eerst zien, en dan geloven.

Achab, de koning van Israel, doet, zegt 1 Koningen 16:30, wat slecht is in de ogen van de Heere, meer dan allen die vóór hem waren geweest. Hij dient Baäl, de god van zijn vrouw Izebel. Hij richt voor de Baäl zelfs een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij in Samaria heeft gebouwd.
Ook maakt hij een gewijde paal, zodat Achab nog meer doet om de Heere, de God van Israel tot toorn te verwekken. En die toorn komt. De HEERE stuurt Zijn profeet Elia naar Achab, met de boodschap: ‘Zo waar de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!’ (1 Koningen 17:1)

1 Koningen 18:1 zegt dat na vele dagen het woord van de Heere tot Elia, komt: ‘Ga, vertoon u aan Achab, want Ik zal regen geven op de aardbodem.’ Als Achab Elia ziet, roept hij hem toe: ‘Bent u diegene die Israël in het ongeluk stort?’
‘Ik heb Israël niet in het ongeluk gestort, maar ú en het huis van uw vader, doordat u de geboden van de HEERE verliet en achter de Baäls aan gegaan bent,’ reageert Elia in het volgende vers.

‘Hoelang hinkt u nog op twee gedachten?’
Elia geeft Achab de opdracht heel Israel bijeen te roepen op de berg Karmel, met de 450 profeten van de Baäl en de 400 profeten van Asjera, die aan de tafel van Izebel eten.
Als allen vergaderd zijn, komt Elia naar voren en houdt het volk voor: ‘Hoelang hinkt u nog op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem!’
Het volk kijkt toe en reageert niet. Verbijsterend. Elia spreekt vervolgens: ‘Alleen ik ben overgebleven als profeet van de HEERE, maar de profeten van de Baäl zijn met 450 man.’

Nu komt het erop aan. Daar staat Elia in z’n eentje, tegenover honderden valse profeten. Maar hij weet dat de Heere van de legermachten met hem is. Elia houdt de leiding en vraagt om twee jonge stieren. De Baälprofeten mogen er één kiezen om te offeren, de andere is voor hem.
Dan zegt Elia: ‘Roept u de naam van uw god aan, dan zal ík de Naam van de HEERE aanroepen. En de God Die door vuur antwoordt, Die is God.’ En het hele volk antwoordt en zegt: ‘Dat is goed.’

Als de Baälprofeten hun offer gereed hebben, roepen ze hun god, de Baäl aan, van de morgen tot de middag: ‘O Baäl, antwoord ons!’ Maar er komt geen stem en er is niemand die antwoordt.
Elia spot met hen en zegt: ‘Roep met luide stem! Hij is immers een god. Hij is vast in gedachten! Of hij heeft zich vast afgezonderd! Of hij is vast op reis! Misschien slaapt hij wel en moet hij wakker worden!’
Dan schreeuwen ze nog harder en snijden in hun lichamen, zodat het bloed eruit stroomt. Ze raken zelfs in geestvervoering, maar er gebeurt niets.

Water over het altaar
Dan is het de beurt aan Elia. Hij roept het volk om zich heen. Hij herstelt eerst het altaar van de Heere, dat verwoest was. Dan neemt hij twaalf stenen, overeenkomstig het getal van de stammen van de zonen van Jakob, tot wie het woord van de Heere was gekomen: Israel zal uw naam zijn.
Met die stenen bouwt hij het altaar in de Naam van de Heere. Dan maakt hij een geul rondom het altaar. Hij schikt het hout, verdeelt de stier in stukken en legt die op het hout.
Vervolgens geeft Elia opdracht vier kruiken met water te vullen en over het brandoffer en het hout te gieten. Tot drie keer toe wordt dat gedaan, zodat ook de geul rondom het altaar vol water staat. Niemand zal meer kunnen zeggen dat het altaar door de hitte of door iets anders spontaan in brand is gevlogen. De Baälprofeten kijken angstig toe. Hun reputatie staat op het spel…

Dan, op het moment dat het graanoffer wordt gebracht, komt Elia naar voren. Dat hij dat juist op dit moment doet, is een verwijzing naar het avondoffer dat op dat moment in de tempel wordt gebracht, maar waar het Tienstammenrijk al sinds 50 jaar van verstoken is.

Elia zegt: ‘HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat het heden bekend worden dat U God bent in Israël, en ik Uw dienaar, en dat ik al deze dingen overeenkomstig Uw woord heb gedaan. Antwoord mij, HEERE, antwoord mij, zodat dit volk weet dat U, HEERE, de ware God bent, en dat U hun hart tot inkeer gebracht hebt.’
Plotseling valt er vuur van de Heere neer uit de hemel en verteert het brandoffer, het hout, de stenen en het stof. Zelfs het water in de geul verdampt door de hitte.

Het volk is geschokt. Ze werpen zich met hun gezicht ter aarde en roepen: ‘De HEERE is God, de HEERE is God!’
De Heere toont Zijn almacht op een ongekende wijze. Dan zegt Elia: ‘Grijp de profeten van de Baäl! Laat niemand van hen ontkomen.’ Zij grijpen hen, en Elia voert hen af naar de beek Kison en slacht hen daar af.

Zeven keer naar de top van de berg
Elia waarschuwt Achab: ‘Ga op weg, eet en drink, want er is een gedruis van een overvloedige regen.’ Er zal een einde aan de droogte komen.
Elia klimt naar de top van de Karmel, buigt zich voorover ter aarde en legt zijn gezicht tussen zijn knieën. Hij zal de Heere gedankt hebben voor het vuur dat Hij zond, Hij zal tot de Heere geroepen hebben om regen. Maar ik kan me ook voorstellen dat Elia de Heere al heeft gedankt voor de regen die Hij zou zenden.

Hij stuurt zijn knecht eropuit naar de top van de berg om te zien of de regen al zichtbaar is, maar de lucht is nog strakblauw, zo ver je kunt kijken.
Korte tijd later stuurt Elia hem weer naar boven, en nog een keer, en weer opnieuw…
Ook na de zesde keer is er nog niets te zien. Het gebed van Elia zal intenser zijn geworden. ‘Heere, U moet het nu wel doen, anders zal de koning U bespotten en mij doden…’

En dan, wanneer de knecht voor de zevende (= getal van de volheid) keer naar de top van de Karmel klimt, ziet hij boven de zee een klein wolkje, zo groot als de hand van een man.
Elia weet het zeker, zijn gebed om regen is verhoord. In korte tijd is de hemel zwart van wolken en wind, en komt er een hevige regen.

‘De hand van de Heere was op Elia’
Dan staat er nog iets heel moois in vers 46: ‘En de hand van de HEERE was op Elia.’ Waar Elia was, was de Heere. Hij ging met Hem mee, Hij leidde hem, Hij gaf hem de moed om daar op de Karmel in z’n eentje te staan tegenover de Baälprofeten, het volk en de koning, Hij gaf hem het geloof om te bidden om regen.
De ‘hand van de Heere’ maakte hem sterk. Zo sterk, dat hij Achab kon begeleiden tot aan zijn vesting bij Jizreël.

Jakobus 5:16-18 zegt over deze geschiedenis: ‘Een krachtig gebed van een rechtvaardige brengt veel tot stand. Elia was een mens net zoals wij en hij deed een vurig gebed dat het niet zou regenen en het regende niet op de aarde, drie jaar en zes maanden. En hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde bracht haar vrucht voort.’

Elia was een mens zoals wij. In de grondtekst zit bij de woorden ‘…een krachtig gebed van een rechtvaardige brengt veel tot stand…’ de gedachte dat het werkzame gebed van een rechtvaardige veel kracht heeft, veel tot stand brengt.
Een rechtvaardige is iemand die de wil van God doet (Jakobus 1:25 en 27).
God, op Wie in het gebed een beroep wordt gedaan, maakt het gebed werkzaam. Zo’n gebed brengt veel tot stand.

De God van Elia is ook onze God, de Levende, de Almachtige. Het is mijn gebed: ‘Heere, laat mij als ooit Elia zo ook in alles op U vertrouwen.’
Door het geloof in de Heere Jezus mogen wij deze God onze Vader noemen. Wat een voorrecht, wat een genade!

Gods almacht
Wat een bewijs van Gods almacht klinkt in deze geschiedenis! De Heere is groot en zeer te prijzen. Hij laat niet met Zich spotten. Dat denken wij misschien wel eens, maar de Heere ziet het. Hij ziet ons land, ons volk, onze gemeente, ons eigen leven.
‘Als de Heere God is, volg Hem, als de Baäl god is, volg hem…’ Die woorden klinken ook nu.
Wie is uw God? ‘De God Die door vuur antwoordt, Die is God,’ sprak Elia tot het volk. Volg Hem! Breek met uw afgoden, verbrandt ze, vernietig ze, radicaal. Anders kost het u uw leven, niet alleen dit korte poosje op aarde, maar ook in de eeuwigheid.

Met vuur
Ook vandaag kan de Heere met vuur antwoorden. Daarbij denk ik niet allereerst aan letterlijk vuur, zoals hier, hoewel voor Hem niets te wonderlijk is. Hij kan het vuur van Zijn Geest uitstorten over volken, gemeenten, mensen, ook in uw hart. Dan weet je het ineens: Dit is God. Zoals de mensen op de eerste pinksterdag werden geraakt in hun hart door de preek van Petrus, waarop ze het uitriepen: ‘Wat moeten wij doen?’ (Handelingen 2:37).
Daarop antwoordde Petrus: ‘Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.’

Ik bid de Heere dat Hij ook vandaag mensen als Elia geeft. Die zo in Zijn dienst staan, dat ze weten wat van God is en wat van de Baäl is. Die geen angst voor mensen hebben, maar alleen de Heere vrezen.
Mensen, die met de Heere wandelen, met Hem leven, Zijn aangezicht zoeken en zich door Hem laten leiden, door Zijn Geest. Wat het hen ook kost: hun baan, hun reputatie, hun vrienden of zelfs hun leven.

Het zijn wellicht de éénlingen, mensen als Elia, Mozes, Johannes de Doper, Daniël, Petrus… Gods vertegenwoordigers op aarde. Door Hem gezonden, om Zijn woorden te spreken.
Woorden die mensen raken tot in het diepst van hun hart. Omdat het Gods woorden zijn. Woorden die hen die ze horen, op de knieën brengen, bij de Heere Jezus.

Dirk van Genderen