Trek een muur op, ga voor Gods aangezicht in de bres staan

Met heel mijn hart geloof ik dat God naar Nederland kijkt, zoals klinkt in Ezechiël 22:30: ‘Ik zocht naar iemand onder hen die een muur kon optrekken en voor Mijn aangezicht in de bres kon gaan staan voor het land…’
Hij zoekt naar mensen die een muur kunnen optrekken tegen het kwaad, die voor Zijn aangezicht in de bres kunnen staan voor het volk. De situatie is ernstig. De nood is groot. Raakt het ons dat miljoenen landgenoten voor eeuwig verloren dreigen te gaan omdat ze de Heere Jezus niet kennen? Raakt het ons dat er een moment komt dat de genadetijd voorbij is? Raakt het ons dat op een dag Zijn oordelen ook over ons land en over ons volk zullen komen?

Het jaar 2021 zal de boeken ingaan als crisisjaar. Een jaar zonder missionair kabinet, een jaar waarin velen in angst leefden vanwege corona, een jaar waarin het christelijke getuigenis binnen en buiten de kerk zwaar onder druk stond.

Onze zonden en ongerechtigheden roepen tot God in de hemel. Zijn wij beter dan Juda en Israel in Ezechiël 22? Nee toch? Het is genade van Hem dat Hij ons nog genadig is. Hij heeft ons nog niet afgeschreven. Dringend vraag ik u daarom ook te bidden voor de samenstelling van de nieuwe regering, dat de Heere het zo leidt dat er ook ministers en staatssecretarissen in het kabinet plaats zullen nemen die Hem kennen en Zijn vertegenwoordigers in de nieuwe regering zullen zijn.

Ik geloof dat de Heere ernaar verlangt om ons genadig te zijn. Hij is zo vol van liefde en vol van ontferming. Hij zond Zijn Zoon, de Heere Jezus – het is bijna Kerst – om ons te verlossen en eeuwig leven te schenken. En Hij wil niet dat iemand verloren gaat, ook u niet, maar dat allen tot bekering komen.

Toch lezen we in het Bijbelboek Openbaring dat Gods oordelen komen over deze wereld. Wie dat zegt, is geen doemdenker, maar een realist, omdat Gods Woord het aankondigt.
Dat was ook zo in Ezechiël 22. De profeet waarschuwde het volk van Juda tegen Gods oordelen. Het volk pleegde overspel met de afgoden, had de Heere de rug toegekeerd, leefde in zonde. ‘U bent Mij vergeten, spreekt de Heere HEERE,’ zegt vers 12 zo kernachtig.

Dan is daar opeen vers 30. De Heere verlangde er zo naar dat het volk tot Hem zou terugkeren. Hij keek vanuit de hemel neer of er een muur van bescherming tegen de zonde en tegen de ongerechtigheid om het volk werd opgetrokken. Of er iemand was die in de bres ging staan voor het volk.
En jazeker, daar was Ezechiël. Maar kennelijk was er niemand anders die in de bres was gaan staan en een muur had gebouwd. Een buitengewoon aangrijpende situatie.

De situatie in ons land is gelukkig nog anders. Hoewel? Als wij, zoals God vanuit de hemel, de zonden en de ongerechtigheden zou kunnen zien die plaatvinden, dan zouden we niet weten wat we zien. Dan zouden we met stomheid zijn geslagen.

En toch, en toch, er zijn er nog velen in ons land die hun knieën buigen voor de Heere, die muren bouwen en in de bres staan voor land en volk. Daar ben ik vast van overtuigd. Dat geeft hoop.
De Heere ziet ook u, bidder, bouwer, u bent belangrijk voor Hem. Houd vol, zie op Hem, geef uzelf aan Hem volkomen.

De Heere Jezus kwam om een muur op te trekken, Hij heeft alles volbracht en bouwt aan het eeuwige huis, met zijn vele woningen. Hij is in de bres gaan staan, als voorbidder. Hij wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. Daarom zendt Hij de zeer goede boodschap van het Evangelie uit tot aan de einden van de aarde. Daarom bidt, pleit Hij bij de Vader voor de Zijnen.
Bouw, bid, sta in de bres. Laat u door God gebruiken. Tot zegen voor ons land en volk en tot eer van God.

Dirk van Genderen