De troost van Psalm 91

Juist in tijden van nood en angst wil de Heere ons troosten met Zijn woorden. In moeilijke tijden heeft Hij mij al vaker bemoedigd door Psalm 91. Daarom wil ik in deze crisistijd graag deze Psalm aan u doorgeven, tot troost, tot bemoediging, in onzekere tijden.

Tallozen zijn door de woorden van deze Psalm al bemoedigd en geholpen om met God door oorlog, ziekte, vervolging en tal van andere problemen heen te komen. God belooft in deze Psalm niet de afwezigheid van lijden en gevaar, maar wel Zijn aanwezigheid, Zijn nabijheid.  

De dichter – zijn naam blijft onbekend – getuigt van zijn vaste vertrouwen in Gods bescherming in alle situaties van het leven, in het bijzonder in tijden van moeite en gevaar.
Overbekend, maar toch zo vol van inhoud, zijn de woorden in vers 1.
Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.

Bij de Heere zijn we veilig en geborgen, in leven en sterven. Als de stormen in de wereld en om ons heen woeden, mogen we schuilen bij Hem. Hij is Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God op Wie ik vertrouw (vers 2).
Hij wordt hier genoemd de Allerhoogste, de Almachtige, de HEERE (Jahweh) en God. Op Hem kunnen we aan, Hij wil ons overdekken, beschermen met Zijn vleugels, ook – misschien wel juist – in tijden van crisis.  

In de volgende verzen duidt de dichter in allerlei verschillende bewoordingen de bedreigingen aan.
Hij zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest, (vers 3).
U zult niet vrezen voor het beangstigende van de nacht, voor de pijl die overdag aan komt vliegen (vers 5).
Voor de pest, die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest (vers 6)

Zo kunnen wij het toch ook ervaren. Als er wordt gesproken over de zeer verderfelijke pest, dan denk ik direct aan de coronadreiging.
En bij de pijl die aan komt vliegen, denk je misschien wel aan je bedrijf dat wordt aangevallen door alle coronabeperkingen, of aan iemand die soms zulke nare opmerkingen tegen je maakt….

En mogelijk voel je je wel gevangen in de strik van de vogelvanger, je zakt steeds dieper weg in een verslaving, in iets waar je zelf niet meer uit kunt komen. En je verbergt het voor allen die je lief en dierbaar zijn.

Deze Psalm wijst de weg. Ga naar de Heere Jezus. Hij zal u beschutten met Zijn vlerken, onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen, Zijn trouw is een schild en een pantser (vers 4).

Het is een belofte, een toezegging van de Heere zelf. Hij zal u beschutten met Zijn vlerken… Hij zegt Zijn bescherming toe. Zoals een kuikentje veilig is onder de veren van moederkip, zo wil de Heere ons beschermen in tijden van nood.
Daarom kan in het volgende vers 5 ook worden gezegd: U zult niet vrezen… Hoe vaak doen wij dat toch? We maken ons te vaak zorgen. Ik bid u Gods genade toe om met al Uw zorgen naar Hem te gaan, ze los te laten en aan Hem te geven.

Al zullen er duizend vallen aan uw zijde en tienduizend aan uw rechterhand, bij u zal het onheil niet komen. Slechts met uw ogen zult u het aanschouwen en u zult de vergelding aan de goddelozen zien (vers 7 en 8).

Zal gelovigen, Gods kinderen dan nooit iets naars overkomen? Dit kan toch niet waar zijn, wat hier staat. Zulke gedachten komen zo gemakkelijk in ons op. Toen ja, in de tijd dat de dichter deze Psalm maakte, ja, toen waren deze woorden waar, maar nu, in de tijd van het Nieuwe Testament…

Misschien komen deze aanvechtingen en bange gedachten ook wel in u op. En toch, en toch, misschien wel dwars door onze tranen heen, mogen we gaan staan op deze woorden van God. Hij is Dezelfde, ook nu, ook vandaag.

Vers 9 zegt: Want U, HEERE, bent mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt u tot uw woning gemaakt.’
Zeg het de dichter maar na. ‘Heere, ik vlucht naar U, U bent mijn toevlucht. Ik schuil in Uw woning, alleen bij U ben ik veilig.’

Geen onheil zal u overkomen, gaan de volgende verzen verder, geen plaag zal uw tent naderen.
Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven, dat zij u bewaren op al uw wegen.
Zij zullen u op de handen dragen, zodat u uw voet aan geen steen stoot.
Op de felle leeuw en de adder zult u trappen, u zult de jonge leeuw en de slang vertrappen
(vers 10-13).

U denkt misschien direct aan situaties die kennelijk in tegenspraak zijn met wat hier wordt gezegd. Waarom gebeurde dat dan met mijn man, mijn vader, mijn kind, mijn bedrijf, met mezelf?
Ik weet het, ik ken die vragen ook uit mijn eigen leven. En toch wil ik vasthouden aan de woorden van de psalmist.
Ik denk aan mijn eigen vader, die bij een aanrijding om het leven kwam. Hij was toen nog maar 50 jaar. De zondag voordat het gebeurde, werd er gepreekt over 2 Korinthe 5:1 – Wij weten immers dat, wanneer ons aardse huis, deze tent, afgebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Na de dienst zei hij dat dat zijn hoop, zijn verlangen was, om daar te zijn, niet wetende dat het een paar dagen later al werkelijkheid zou worden.

Hoe is dat dan te rijmen met de woorden uit deze Psalm: Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven, dat zij u bewaren op al uw wegen. Zij zullen u op de handen dragen, zodat u uw voet aan geen steen stoot.
Als ik voorbij de plaats kom waar dit gebeurd is, moet ik altijd aan deze Psalm denken. Ik geloof dat de engelen mijn vader op handen hebben gedragen, het Vaderhuis binnen.
En waarom is dit dan toch gebeurd? Ik heb daar geen antwoord op. Maar dit weet ik zeker: Het is God niet uit de handen gelopen, Hij heeft niet machteloos toe staan te kijken, het moment was gekomen voor mijn vader om bij de Vader in de hemel te komen. En totdat dat moment ook voor allen van ons aanbreekt, zal Hij ons, als we Hem mogen kennen, bewaren op al onze wegen.

Dan nog die wonderlijke slotwoorden van deze Psalm, de verzen 14-16.
Omdat hij liefde voor Mij heeft opgevat, zegt God, zal ik hem bevrijden; Ik zal hem in een veilige vesting zetten, want Hij kent Mijn naam.
Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhoren, in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal hem eruit helpen en hem verheerlijken.
Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen, Ik zal hem mijn heil doen zien.


Wat een tere woorden: Omdat hij liefde voor Mij heeft opgevat… Dat betekent zoiets als: ‘Omdat hij zich met liefde aan Mij heeft gehecht…’, wat wijst op toewijding en verlangen naar de gemeenschap met God. Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot en mag zich werpen in de handen van de Heere.
Rampen, tegenslagen, pijn en verdriet, het kan er allemaal zijn in het leven van Gods kinderen. Vers 15 spreekt over benauwdheid. En we kunnen benauwd zijn tot aan de dood aan toe. Maar de Heere wil hulp en uitredding schenken, vrede en rust, op Zijn tijd en Zijn wijze. Dan zullen we Zijn heil zien en ervaren. En Hij kan daar engelen bij inschakelen.

En vers 16 – Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen, Ik zal hem Mijn heil doen zien – lees ik ook in het licht van de eeuwigheid. Als ons leven op aarde voorbij is, op hoge leeftijd of al jong, dan vangt het eeuwige leven aan.

En zeker, in andere Psalmen klinken soms andere tonen, maar laten we ons, evenals eens Charles Haddon Spurgeon, in een tijd dat er nog geen vaccins waren, vastklampen aan de woorden van deze Psalm. In 1854 leidde hij een kerk te midden van een grote cholera-uitbraak in Londen. Hij vertelde erover:
‘Mijn vrienden leken één voor één te vallen en ik voelde of verbeeldde me dat ik misselijk werd zoals de mensen om me heen. Te veel werk en verdriet zouden me neerslachtig hebben gemaakt… Ik voelde dat mijn last zwaarder was dan ik kon dragen… Ik kwam treurig terug van een begrafenis, en toen leidde God het zo dat mijn nieuwsgierigheid me ertoe bracht een krant te lezen die in de etalage van een schoenmaker in de Great Dover Road lag. Ik las in een goed vetgedrukt handschrift, deze woorden:

“Omdat u de Heere, Die mijn toevlucht is, de Allerhoogste, tot uw woning hebt gemaakt, zal u geen kwaad overkomen, en geen plaag zal uw woning naderen.” 
Het effect op mijn hart was er onmiddellijk. Geloof eigende zich deze passage toe als haar eigendom. Ik voelde me veilig, verfrist, omgord met onsterfelijkheid. Ik ging door met mijn bezoeken aan de stervenden, in een kalme en vredige geest. Ik voelde geen angst voor het kwaad en ik heb geen schade geleden. De Voorzienigheid die de handelaar ertoe bracht die verzen voor zijn raam te plaatsen, erken ik dankbaar; en ter herinnering aan zijn wonderbaarlijke kracht aanbid ik de Heere, mijn God.”  

Twintig jaar later, in 1874, publiceerde Spurgeon een commentaar op Psalm 91, onder de titel ‘The Privileges of the Godly’. Daarin zei hij dat een Duitse arts vaak sprak over Psalm 91 als de beste bescherming in tijden van cholera, en in werkelijkheid is het een hemels medicijn tegen plagen en bedreigingen. Hij die in die geest kan leven, zal onverschrokken zijn, zelfs als Londen opnieuw de pest zou moeten ondergaan.’

Als de Heere onze schuilplaats is, kan niets onze eeuwige veiligheid in Hem roven. ‘Noch dood, nog leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere’ (Romeinen 8:38 en 39).

Dirk van Genderen